IM025 BROEDER VINCENTIUS (JACOBUS BLANKERS)

025 BROEDER VINCENTIUS (JACOBUS BLANKERS)

Geboren te Roosendaal : 22 – 05 – 1828
Ingetreden in de Congregatie : 23 – 07 – 1857
Inkleding : 25 – 03 – 1858
Professie : 15 – 09 – 1860
Overleden te Huijbergen : 17 – 09 – 1910
Begraven op het kloosterkerkhof.

Broeder Vincentius was assistent van het Hoofdbestuur in de periode 1897 – 1909

Geboren in Roosendaal trad hij op 29 jarige leeftijd toe tot onze Congregatie. Vrijwel zijn gehele kloosterleven is hij surveillant geweest op Ste. Marie, zowel op het pensionaat als op het weeshuis. Verbazingwekkend is het wel, dat hij deze toch zeker niet gemakkelijke taak tot op zeer hoge leeftijd heeft uitgeoefend. Hij stierf n.l. in 1910 op 82 jarige leeftijd, vrijwel tot het eind van zijn leven nog in functie als surveillant. Dit wijst er wel op, dat de kleine, corpulente broeder Vincentius tot het laatste toe een sterke, krasse figuur moet zijn geweest (hij beroemde zich erop dat hij nooit ziek was geweest) maar ook toont het aan, dat het surveillantentekort ook toen al nijpend was.
Even verbazingwekend komt het nu op ons af dat deze broeder Vincentius op haast 70 jarige leeftijd in 1897 nog gekozen werd tot assistent van het Hoofdbestuur van de Congregatie en dit 12 jaar lang, tot één jaar voor zijn dood (dus tot 1909) gebleven is. Dit is nu eenmaal zo het gebruik in de eerste 50 jaren van onze Congregatie: om Assistent te kunnen worden moest men oud zijn! Pas in 1909 is door de derde Algemene Overste broeder Aloysius Hoosemans, hieraan een eind gemaakt en een grote reorganisatie ingevoerd.
Met die keuze tot Assistent was Br. Vincentius overigens buitengewoon ingenomen, en tegen iedereen die het maar horen wilde, verzekerde hij plechtig, dat hij om de weerga geen “ja…knikker” was. Br. Vincentius schijnt wel driftig en vurig van aard geweest te zijn.

In het jaar 1828 aanschouwde broeder Vincentius te Roosendaal het eerste levenslicht. Hij was in de wereld een vrolijke kwant en was als tamboer werkzaam bij de harmonie “de Zilveren Ploeg” aldaar. Omstreeks 30 jaar trad hij in het klooster alhier binnen. Zijn vader vergezelde hem en nabij het Instituut gekomen, zei hij: “Koos, kom maar gauw mee naar huis”. Maar Koos verkoos te Huijbergen te blijven. Hij had een lang noviciaat en werd in de keuken gezet, waar hij voortreffelijk werk deed. Daarna werd hij surveillant bij de pensionairen. Ook als zoodanig was hij zeer nuttig voor het Instituut.

In 1866 werd hij verplaatst te Breda aan de St. Antoniusschool om daar catechismusles te geven aan de jongens der Parochie. Ook was hij belast met de Congregatie der Bredase jongelingschap en de opleiding van de jongens voor het zangkoor. Nog weten de overlevenden te vertellen van zijn sterkte. Niemand zeggen zij, kon van ons loopen als hij.

Naar Huijbergen wedergekeerd, nam hij weer de post van surveillant waar. Omtrent 1886 werd hij lid van de Raad en dat is hij gebleven tot kort voor zijn dood. Hij was naar zijn zeggen een echte oorlogsman. Men kon hem onder de recreatietijd geen groter genoegen doen, dan de krijgsverrichtingen te verhalen, die er toentertijd voorvielen. Vooral vroeg hij menigmaal of er van den H. Vader de Paus niets te vermelden was. Vooral de zoeaven lagen hem aan het hart. Hij jammerde er dikwijls over, dat hij niet meer geleerdheid bezat. Hij zou zoo gaarne iets voor de Kerk gedaan hebben. Maar de goede God was met zijn goede wil tevreden. Broeder Vincentius was van een heftig temperament. Daardoor waren veel kinderen en broeders hem niet goed gezind. In 1909 trad hij af als raadslid. Kort daarop werd hij ziekelijk en moest weldra zijn kamer houden. De dokter constateerde dat Z.E. aan bloedvatenverkalking leed.

Ofschoon 82 jaar oud speet het hem niets meer voor de Congregatie te kunnen doen. O.L. Heer nam hem op 17 september 1910 bij zich in den hemel.

Bronnen: – Geschriften van broeder Pacificus
– N.N.