IM026 BROEDER ALOYSIUS (JOANNES HOOSEMANS)

026 BROEDER ALOYSIUS (JOANNES HOOSEMANS)

Geboren te Oosterhout : 19 – 02 – 1846
Ingetreden : 01 – 05 – 1864
Inkleding : 29 – 09 – 1864
Professie : 24 – 09 – 1868
Overleden te Huijbergen : 13 – 12 – 1911
Begraven op het kloosterkerkhof.

Behaalde de akte onderwijzer in het jaar 1864 en verder de Hoofdakte, Wiskunde, Frans, Duits, Engels en tekenen.

Gekozen tot Vicaris van de Congregatie op 19 – 07 – 1888
Benoemd tot Br. Overste te Breda en hoofd der school 28 – 08 – 1900
Gekozen tot algemene Overste 08 – 09 – 1909

Na het behalen van de hulpakte is hij ook enige tijd werkzaam geweest te Breda, aan de school “St. Antoine” die na enige jaren door de Congregatie weer werd opgegeven.

Door het vroegtijdig overlijden van zijn ouders, werd J. Hoosemans in het pas gestichte weeshuis te Huijbergen opgenomen. Door de voortreffelijke hoedanigheden op alle gebied van Rector Nelen, die Overste was van het weeshuis, genoten de wezen een uitstekende opvoeding en werd aan het onderwijs grote zorg besteed. De buitengewone geestesgaven van het kleine weesje werden weldra opgemerkt met het gevolg, dat de schrandere jongen na de lagere school werd aangewezen om de lessen op de Normaalschool te volgen, want Overste Nelen die zag in dat jongetje de toekomstige onderwijzer. Met succes werden de lessen gevolgd, zodat normalist Hoosemans reeds in 1864 op achttienjarige leeftijd het onderwijzersdiploma behaalde. Dat was een mooie aanwinst voor de tien jaar geleden gestichte onderwijscongregatie, want op 29 september 1864 deed de jonge onderwijzer zijn intrede in de Congregatie en werd hij later de alom bekende talentvolle Frère Louis van het Instituut St. Marie te Huijbergen.

Het lijdt geen twijfel of de nog jeugdige man met zijn scherp verstand en heldere blik peilde reeds bij de opkomst van de nieuwe Congregatie haar waarde voor de opvoeding e«het onderwijs van de jeugd, wat in de loop van zijn leven duidelijk gebleken is. Broeder Aloysius was een groot vereerder van de stichter van de Congregatie, Mgr. v. Hooydonk wiens tijdgenoot hij was, evenals van diens voortreffelijke medehelpers in die stichting, Deken de Bie, Rector Nelen en Directeur Graumans. Vooral de twee laatsten, beiden verdienstelijke pedagogen, hebben grote invloed uitgeoefend op de vorming van Br. Aloysius tot een volwaardig opvoeder en onderwijzer.

De kleine schaar van de eerste broeders van de Congregatie, waaronder ook broeder Aloysius Hoosemans, muntte uit door offerzin en gebedsleven in de kloosterstaat, wat duidelijk blijkt uit hun levenswijze.
Na het behalen van het onderwijzersdiploma is broeder Aloysius een korte tijd werkzaam geweest in Breda aan de school van “St.Antoine”. In 1866 was een bescheiden begin gemaakt met een succursaalhuis te Breda. Dit klooster gelegen in de St.Jansstraat, heeft onder grote uiterlijke moeilijkheden bestaan tot 1876. Het lijkt me goed hier toch iets weer te geven van de omstandigheden en hoe de Broeders daar terecht zijn gekomen. Naar ik meen past het hier ook, daar broeder Aloysius, waar het hier over gaat, ook daar werkzaam is geweest.

Tot diep in de 19e eeuw had Breda nog steeds geen katholieke jongensschool. Van een verenigingsleven op katholieke grondslag was al evenmin sprake. De liberale opvattingen van scheiding tussen openbaar- en godsdienstig leven, hadden in Breda diep wortel geschoten. Breda was een sterke liberale burcht in die tijd.
Burgemeester, Wethouders en een groot gedeelte dér Raadslieden behoorden tot de liberale partij, of moesten gerekend worden tot de liberaalkatholieken die in hun privéleven wel katholiseerden, maar in het openbare leven hun godsdienstige opvattingen geen rol lieten spelen.
Het onderwijs stond toen nog in het teken der openbare school, ook onder het personeel dezer scholen was de liberale levensopvatting vrij algemeen. Het was duidelijk, dat deze toestand op de duur voor het godsdienstig leven der burgerij noodlottige gevolgen moest hebben. Dit werd duidelijk ingezien door de toenmalige Pastoor van de St. Antoniusparochie, de Zeereerw. Heer stoop, Plebaan der stad. (De St. Antoniuskerk was toen nog kathedraal)

Reeds meerdere malen had hij deze zaak ter sprake gebracht in het Kathedraalkapittel, maar toen niemand op zijn voorstel durfde ingaan, zo sterk was het liberalisme hier ter plaatse, besloot hij zelf de zaak aan te pakken. Er moest en er zou te Breda een katholieke school komen voor de jongens uit de burgerstand, om zo het liberalisme te bestrijden en de oppermacht van het openbaar onderwijs te breken.

Wat Plebaan Stoop zich eenmaal voorgenomen had, zette hij met onverzettelijke wilskracht door. Geheel alleen pakte hij de zaak aan, waarbij niemand hem durfde te steunen. Door aankoop kwam hij in het bezit van een terrein, dicht bij de pastorie. gelegen. Zijn eerste werk nu was de oprichting van een congregatie voor jongelingen uit de burgerstand, die onder de bescherming werd gesteld van de H. Aloysius. Daar waren natuurlijk leiders voor nodig. Bovendien omvatte zijn plan ook de oprichting van een katholieke school.
Vandaar dat hij zich in verbinding stelde met de Congregatie van de Broeders van Huijbergen en de hulp der Broeders inriep. Zo kwamen in 1866 de eerste Broeders zich vestigen in de Sint Antonius-parochie. Het waren: broeder Vincentius Blankers, broeder Benedictus v.Zundert, broeder Seraphinus v.d.Biggelaar. Ze gaven catechismusonderricht aan de kinderen van de parochie, zorgden voor de kosterij in de kerk, gaven ook onderricht in het Gregoriaans en verleenden hulp bij het jeugdwerk onder de leden van de Jongelingscongregatie, later bekend onder de naam “De Jongelingschap”.

De broeders waren gehuisvest in een burgerwoning aan de straat gelegen, doch dit was nog maar voorlopig.
Het volgend jaar werd ook met het onderwijs begonnen. In het begin nog maar op bescheiden voet. Maar de Pastoor zat niet stil; ondanks de tegenwerking van het liberale gemeentebestuur en de toonaangevende kringen der burgerij. Op eigen kosten en gesteund door enkele milde gevers en weldoeners slaagde hij erin een school te bouwen en in 1868 kon het nieuwe gebouw in gebruik worden genomen en de school kon haar zegenrijk werk onder de Bredase burgerij beginnen.

Enkele broeders onderwijzers waren nu ook beschikbaar: broeder Angelus Vlekken. Er was ook heel wat tegenwerking van de kant van de onderwijzers der openbare scholen, die al het mogelijke deden om de leerlingen van de nieuwe school verwijderd te houden. Hun pogingen hadden geen succes: het aantal leerlingen nam steeds toe. Ook de Jongelingencongregatie verrichtte nuttig werk: toneel, zang en muziek werden met heel veel vlijt beoefend. Er was zelfs een harmonie, waarbij broeder Vincentius zijn zeer gewaardeerde hulp verleende. De muzikale gaven van broeder Angelus, oud-muziekleraar aan het Instituut te Huijbergen, kwamen de jonge vereniging goed van pas. Over de zeer gebrekkige huisvesting der Broeders in de eerste periode, vertelt broeder Pacificus, die ook aan die school werd benoemd, enkele bijzonderheden.
Gewoon aan het stille en rustige buitenleven te Huijbergen viel de nachtrust in het harde bed op zolder naast het turfhok, niet mee. Nachtelijke stilte scheen hier in de stad niet te bestaan: ieder kwartier klonken de heldere klanken van het stadscarilon in de toren der Grote Kerk. Om het uur schalde dan weer de hoorn van de torenwachter door de lucht, die de burgerij met luid gebazuin mededeling deed, hoever het nachtelijk uur al gevorderd was.
En vroeg in de morgen, werd de rust op wrede wijze weer verstoord door het gilde der “wekkers” of “porders”, die met een stevige bons op de deur of het schelle gerammel der deurklinken, hun “klanten” opriepen voor de nieuwe dagtaak. Ook het geloei van een troep koeien en de klappende zwepen der doortrekkende voerlui droegen er het hunne bij, om de onmisbare rust van iemand, die aan dit rumoer niet gewoon was, tot een minimum te beperken. Doch ook hier werd men op de duur toch wel aan gewoon; en gelukkig was dit maar van tijdelijke aard, want toen de nieuwe school gereed was, betrokken de broeders ook een andere woning, gelegen achter het schoolgebouw. Daar was het heel wat rustiger en vond men meer ongestoorde rust na de zware dagtaak. Want erg gemakkelijk had men het daar in het begin niet. Er moest door allen hard gewerkt worden.

Morgengebed, meditatie en andere geestelijke oefeningen werden gehouden in de sacristie en onder de H. Mis namen de broeders in het priesterkoor hun plaats in. Was er een gezongen H. Mis dan moesten ook enkele Broeders op het koor hun diensten verlenen, want zij hadden de leiding van het knapenkoor en hadden de zorg voor de Gregoriaanse zang. Ook het kosterschap was aan de zorg der Broeders toevertrouwd. Om 9.00 uur begon de school: hier moest vooral in het begin zeer hard gewerkt worden. Het bestaan en de naam der school stonden op het spel; men moest de zeer zware concurrentie der openbare scholen het hoofd bieden. Vandaar dat na 4.00 uur de vrije tijd gevuld was met het geven van privaatlessen, zodat het gewoonlijk 7.00 uur was eer de school gesloten werd. En dan kwamen daar nog meerdere dagen bij dat de jongelingenvereniging nog beslag legden op enkele avonduren.

Het verwondert ons dan ook niet dat de school steeds meer leerlingen trok, maar ook, dat de tegenwerking van het liberale blok, en niet te vergeten van de toen vrij invloedrijke Vrijmetselarij, steeds krachtiger vormen aannam. Geen middelen werden in deze strijd tegen de bijzondere school, gespaard
– lasterpraatjes tegen de Pastoor en de broeders, wier kennis en nationale gevoelens men verdacht trachtte te maken.
– bedreiging, zelfs ontslag van ambtenaren, die hun kinderen naar de katholieke school stuurden; voor niets schrok men terug.
Maar niets mocht baten.
De Pastoor stond in alles achter zijn broeders en deze wisten door hun ijverig werken het vertrouwen der bevolking te winnen. Ook de jeugdvereniging maakte een bloeiperiode door. Toen men eenmaal een nieuwe school had, werd het oude gebouw ingericht voor jeugdhuis, met goed ingerichte speelzalen, een eigen toneel en kapel. Zelfs een buffet voor de ouderen ontbrak niet; de St. Antoniusparochie was met deze instelling de andere parochies der stad jaren voor. Nog jaren later kon men ouden van dagen met trots horen vertellen over de toneel- en zanguitvoeringen in hun gezellig zaaltje, en niet te vergeten over de eigen harmonie: “Ste. Cecilia”. Er werd daar prachtig werk geleverd, dat door publieke en geheime tegenwerking der andere partij niet meer vernietigd kon worden.

De bloeiperiode der eerste jaren van “St.Antoine” werd helaas gevolgd door een tijd van grote moeilijkheden en tegenslagen. Het eerste hoofd der school, Br. Angelus, werd na enkele jaren opgevolgd door Br. Stanislaus K.H.Claeren, iemand met een grote ontwikkeling, maar jammer genoeg miste hij de nodige pedagogische en didactische bekwaamheden van zijn voorganger, zodat de hoogste klas daar op den duur de nadelige gevolgen van ondervond. Verder was hij dikwijls ziek en daar moest dan weer een invaller voor komen. Zo heeft in 1876 broeder Aloysius Hoosemans zijn werk aan het Instituut Ste. Maria enkele maanden in de steek moeten laten om broeder Stanislaus te vervangen. De Pastoor werd ziek en stierf. Er kwamen moeilijkheden van financiële aard en jammer genoeg moesten de broeders in februari 1876 afscheid nemen van Breda.

Na een kort verblijf in Breda kwam broeder Aloysius weer naar Huijbergen om zijn werkkring bij het onderwijs aan het pensionaat weer voort te zetten. Frère Louis wilde zich echter ook nog meer geschikt maken voor het onderwijs, vandaar zijn onverzwakte ijver voor de studie, want de nog kleine Congregatie meer en meer van dienst zijn, dat was zijn ideaal. Achtereenvolgens behaalde hij hoofdakte met inbegrip van wiskunde. Ook de diploma’s voor Frans, Duits, Engels en tekenen werden in korte tijd behaald. Zijn examens verliepen zo vlot dat hij nooit is afgewezen. Studeren was zijn lust en zijn leven. Uit zuivere liefhebberij studeerde hij ook Italiaans en Spaans en legde zich onder de vakantie toe op de schilderkunst. Denk nu niet dat Frère Louis zijn taal als opvoeder en onderwijzer die al die studie licht opvatte. 0 neen, zijn lessen in de verschillende vakken werden met grote ijver, toewijding en kunde gegeven, zodat de goede resultaten niet uitbleven en het Instituut met behulp van zijn ijverige medehelpers een goede naam verwierf in de omtrek.
Man van beschaving en fijne beleefdheidsvormen beijverde Frère Louis zich zijn stempel te drukken ook in dit opzicht op medebroeders en leerlingen, want beleefdheid stond bij hem hoog aangeschreven; hij beschouwde het als een sieraad, dat in een onderwijsinrichting niet mag ontbreken.

Is het te verwonderen, dat een hoogstaande figuur als broeder Aloysius door zijn overheid weldra werd belast met de leiding van het onderwijs in het Instituut en hij op 19 juli 1888 ook nog Vicaris werd van de eerste Algemene Overste van de Congregatie, broeder Leonardus Baayens? Reeds bij de dood van broeder Bonaventura Claeren in 1870 was men aangewezen op broeder Aloysius om hoofd van het onderwijs te wezen. Deze functie heeft hij behouden tot 28 augustus 1900, dus dertig jaar lang.
Gedurende al die tijd was hij de rechterhand van Directeur Graumans, voerde hij ook de officiële correspondentie met de onderwijsinstanties en met de ouders van de leerlingen. Bovendien was de administratie in schoolzaken hem toevertrouwd. Voeg bij dit alles nog de zorgen, die hij als Vicaris deelde met de Algemene Overste, behalve dan nog zijn drukke dagtaak als onderwijzer, dan is het duidelijk dat zijn ambt geen sinecure was. En toch wist de nooit rustende broeder Aloysius nog tijd te vinden voor lessen in declamatie, zang, muziek en extra tekenen bij de studenten. Ter opluistering van feestelijkheden, zoals bij de Plechtige H. Communie, prijsuitdeling en toneeluitvoeringen had Frère Louis de leiding bij toneel en zang tot hij hierin vervangen werd door broeder Lambertus en broeder Quirinus. Met kleine trippelpasjes tippelde broeder Aloysius van de ene taak naar de andere zichzelf vergetend, altijd in de weer voor medebroeders, want ook daar gaf hij les, en leerlingen. Ontspanning voor zichzelf kende hij niet, dacht er niet aan enige afleiding te zoeken in roken of spel in de recreatie. Werken was voor hem ontspanning.

In de toenmalige communiteit te Huijbergen leek het wel, dat de bloei van Ste. Marie afhankelijk was van de bestendige aanwezigheid van broeder Aloysius. Maar zie, de Hoofdbestuurwisseling in 1900 bracht onverwacht verandering. Het nieuwe Hoofdbestuur van de Congregatie zag zich blijkbaar genoodzaakt, de bestuurs- en andere talenten van broeder Aloysius elders te moeten gebruiken. De schijnbaar onmisbaar Br. Aloysius in Huijbergen werd verplaatst naar Breda. Als Overste en hoofd van het onderwijs van de Congregatie aldaar zag hij zich geplaatst voor een heel nieuwe taak. Maar geen nood, broeder Aloysius wist zich aan te passen aan zijn werk in de nieuwe standplaats en wel met zoveel ijver en toewijding, dat hij weldra ook in Breda een even hoogstaande figuur werd als in Huijbergen. Van augustus 1900 tot september 1909 was de school in de Karrestraat te Breda getuige van zijn rusteloos streven en werken tot steeds meer resultaten in opvoeding en onderwijs bij de Bredase jongens, die hem nu waren toevertrouwd.

Het valt niet te ontkennen, dat broeder Aloysius om zijn hard werken en om zijn succesvol werken onder de jeugd meer en meer werd gewaardeerd, zowel in eigen kring als daarbuiten. Niet voor niets werd de naam van Broeder Aloysius meermalen genoemd in verband met de aanstaande verkiezingen van het Hoofdbestuur in 1909. En zie, wat velen in de Congregatie hoopten, dat gebeurde 9 augustus 1909. Op 63 jarige leeftijd werd broeder Aloysius gekozen tot algemene overste van de Congregatie. Heel zijn leven had hij zijn beste krachten gegeven om haar tot groei en bloei te brengen en nu zag hij zich geplaatst in de hoogste functie van zijn geliefde Congregatie. Maar helaas weldra bleek deze hoge verantwoordelijke post te zwaar voor de nieuw gekozen Algemene Overste, die meer en meer de gevolgen van zijn reeds kwijnende gezondheid ondervond. Hij kon dan ook onmogelijk al zijn mooie plannen uitvoeren. Echter moet opgemerkt worden dat zijn grootste belangstelling met voorliefde uitging niet op de eerste plaats naar het pensionaat maar naar het weeshuis, waarbij hij vele en degelijke veranderingen en verbeteringen heeft aangebracht.

Na ruim twee jaar waren zijn krachten uitgeput door een kwaadaardige nierziekte waarvan hij veel en hevig leed. Zijn slapeloze nachten bracht hij voor een groot gedeelte alleen in de kapel door, terwijl hij zijn troost zocht in het overwegen van de H. Kruisweg. Broeder Aloysius was een diep godsdienstig, voorbeeldig en nederig kloosterling. Hij is een zeer grote steun geweest van zijn geliefde Congregatie.

13 December 1911 was zijn sterfdag. De dierbare overledene werd betreurd door alle Broeders en leerlingen en door talloze oud-leerlingen en vrienden in de verre omtrek. Bij de uitvaartdienst hield de Zeereerw. Heer Rector, Directeur Schrauwen een lijkrede, waarin de redenaar niet schroomde de overledene een heilige Aloysius te noemen, zo hoog stond deze kloosterling om zijn deugd overal bekend. Moge de verdienstenvolle broeder Aloysius van uit de hemel zijn dierbare Congregatie gedenken en voor haar geestelijke en tijdelijke groei en bloei ten beste spreken bij de grote Patrones en Beschermster van de Congregatie: de Onbevlekte ontvangenis van de Allerheiligste Maagd en Moeder Gods Maria.

Bronnen: – N.N.