IM032 BROEDER JACOBUS (MARINUS VAN DOMBURG)

032 BROEDER JACOBUS (MARINUS VAN DOMBURG)

Geboren te Sprundel : 15 – 10 – 1839
Ingetreden in de Congregatie : 24 – 04 – 1871
Inkleding: : 01 – 11 – 1871
Professie : 28 – 08 – 1875
Overleden te Huijbergen : 07 – 01 – 1917
Begraven op het kloosterkerkhof.

Hij was een stoere boerenzoon van 32 jaar, toen hij in 1871 zijn ouderlijke boerderij in het landelijke dorpje Sprundel verliet en het Huijbergse klooster binnenstapte. En ook hier kwam hij na zijn noviciaat al spoedig weer op de kloosterboerderij terecht, die in die tijd nog door de broeders zelf werd bedreven. Uiterlijk onderging zijn leven na zijn intrede in het klooster geen grote veranderingen: de Sprundelse boerenkiel werd vervangen door een Huijbergse broeders toog, maar zijn werk bleef het zelfde.

Toen in latere jaren de leiding van de kloosterboerderij in handen gelegd werd van een soort pachtboer of bedrijfsleider en hiervoor een bloedeigen neef en oomzegger van broeder Jacobus, de bekende Jan van Domburg werd uitverkoren bleef broeder Jacobus aanvankelijk als verbindingsschakel tussen klooster en boerderij nog regelmatig bij zijn neef Jan werkzaam. Maar daarnaast kreeg hij ook een zelfstandige bediening en wel de zorg voor de kloosterlijke moestuinen, wandel tuinen en boomgaarden. Daardoor moest hij het boerenbedrijf steeds meer aan zijn neef Jan en diens knechten overlaten. Toch ging zijn onvervalst boerenhart weer helemaal open, als hij een enkele maal op de boerderij moest bijspringen. Wat de aard van het hem opgedragen werk betreft, is broeder Jacobus volstrekt niet kieskeurig geweest. Niets was hem te veel of te zwaar of te onbeduidend. Aan elke hem toevertrouwde taak gaf hij zich met grote toewijding en vrolijke opgewektheid.

Behalve door een bewonderenswaardige werklust en een vrolijke opgeruimdheid muntte hij uit door een eenvoudige, ongedwongen, hartelijke goedheid, een vriendelijke hulpvaardigheid en een nederige bescheidenheid. Hij was de goedheid in persoon getuigen oudere medebroeders, die de zachtaardige broeder Jacobus nog hebben gekend. Als hij niet met riek of spade, met hark of schoffel stond te ploeteren in het weerbarstige, dorre Huijbergse zand, dan zat deze vrome ziel te bidden in de kapel. Op zon- en feestdagen bracht hij buiten de tijd voor de recreatie, maaltijden en noodzakelijke werkzaamheden vrijwel de gehele dag hier door. En als de eerste Broeders ’s morgens om 5 uur in de kapel kwamen, had broeder Jacobus er al een kruisweg opzitten. Voor kruiswegen had hij een bijzondere voorliefde; ontelbare veel heeft hij er zijn leven gebeden.
Maar zijn zwaarste kruisweg kreeg hij op het eind van zijn leven te torsen: een langdurige, folterende zielsangst, die hij echter zonder klagen edelmoedig wist te aanvaarden en te dragen. Zijn medebroeders, die hem zagen tobben en lijden hadden diep medelijden met deze vrome, goede man, die na zo’n voorbeeldig en heilig kloosterleven door God nog zo zwaar op de proef werd gesteld.

Zacht en vredig is hij op 77 jarige leeftijd gestorven.

Bronnen: – N.N.