IM034 BROEDER JUSTINUS (LAMBERTUS COENEGRACHTS)

034 BROEDER JUSTINUS (LAMBERTUS COENEGRACHTS)

Geboren te Breda : 15 – 01 – 1885
Ingetreden in de Congregatie : 08 – 12 – 1898
Inkleding : 21 – 06 – 1901
Professie : 26 – 08 – 1905
Overleden te Huijbergen : 23 – 08 – 1917

De familie Coenegrachts was algemeen bekend te Breda. In de Veemarkstraat bezaten zij een beroemden hoedenwinkel. De moeder was van de protestanten naar de katholieken godsdienst overgegaan en beijverde zich ook haar kinderen tot godsvrucht te stemmen. Hierin slaagde zij wel.

Haar dochter was zeer deugdzaam en heeft de H. Maagd te Lourdes zeer dikwijls bezocht. Broeder Justinus en zijn broer Johan waren al vroeg aan de opleiding van de broeders toevertrouwd. De vader echter was veeltijdig afwezig, daar hij aan het theater van Lier verbonden was als muzikant. Alles ging goed in de zaak zolang de moeder nog goed ter been was. Maar toen de tering zich voordeed en haar lichaamskrachten langzaam verminderden, ging de winkel achteruit en eindelijk failliet. Vader Coenegrachts, van huis uit hoedenfabrikant, vertrok als zoodanig naar Arras in Frankrijk en nam zijn dochter Anna mee.

Ondertussen studeerde broeder Justinus aan onze kweekschool en onderscheidde zich daar als een ijverig en bekwaam student, die het in de wetenschap ver zou brengen. Zijn eerste examen onderging hij met glans en achtereenvolgens haalde hij Frans, Duits en Engels. Voor hoofdakte voelde hij niet veel. Onze Broeder was zeer nederig en bleef liever achteraan. Het Engels was vooral zijn lievelingsvak en te Breda mocht hij lang bij de Paters Kapucijnen Engels gaan geven om ze voor te bereiden voor de missie in Borneo. Ook in de wereldtaal en in de fotografie was hij ervaren.

Toen in 1914 de wereldoorlog uitbrak en een stroom van duizenden vluchtelingen ons land binnentrok, was broeder Justinus leraar aan de Kweekschool te Bergen op Zoom. Ook het huis daar lag vol vluchtelingen. Kort daarop brak het roodvonk uit en werden velen er het slachtoffer van. Ook broeder Justinus schijnt toen zijn nierkwaal opgedaan te hebben.
De Eerw. Overste liet hem naar Huijbergen komen. De bekendste dokters in het land bevalen hem voortdurend het bed te houden. Zo bleef hij anderhalf jaar bedlegerig, omgeven door een tien- of twintigtal boeken die hij letterlijk verslond. Er kwam maar geen beterschap; hij rekende er trouwens ook niet op en zag de dood rustig in de ogen.
Toen hij de laatste H. H. Sacramenten had ontvangen, verzocht hij al de Broeders nog eens rond zijn bed om een roerend afscheid van hen te nemen Hij betuigde toen, hoe gelukkig hij zich bevond na bediend te zijn.

Ongemerkt ging hij daags daarna tot een beter leven over. Hij was 32 jaar.

Bronnen: – N.N.