037 BROEDER CAROLUS (CORNELIS PETRUS ADAMS)
Geboren te Etten : 21 – 03- 1888
Ingetreden in de Congregatie : 13 – 06- 1906
Inkleding : 01 – 09- 1906
Professie : 03 – 09- 1910
Overleden te Huijbergen : 13 – 09- 1919
begraven op het kloosterkerkhof
Dat zijne ouders brave, godsdienstige lieden waren, blijkt wel daaruit dat drie van hun zonen het religieuze leven omhelsden. Hun zoon Cornelis koos de congregatie te Huijbergen tot woonplaats, zijn broers in Tilburg. Een van hen stierf onder de wereldoorlog te Curaçao en eerst vele maanden later werd het hier bekend.
Broeder Carolus kon in Huijbergen aanstonds zijn vak gaan uitoefenen. Hij kwam in de leer bij broeder Ignatius, voor het kleermakersvak op de kleermakerij. Het bleek weldra dat hij in het kleermaken nog zeer onervaren was. Thuis was hij meestal in dienst van de landmeters geweest en zoodoende niet sterk in het hanteren van de naald. En toch was hij hier als vakman hard nodig.
Zodra echter O. L. Heer bekwame werklieden in zijn wijngaard zond, achtte de Eerw. Overste het goed hem ook eens in een succursaal te plaatsen. Zo is hij ruim één jaar in het Dieststraathuis te Breda als surveillant werkzaam geweest. Maar toen was zijn gezondheid zo achteruit gegaan, dat de dokter het noodzakelijk oordeelde, dat hij naar het Moederhuis terugkeerde. Omtrent half Augustus 1919 dacht men hier dat broeder Carolus geelzucht had, zoo geel was zijn gelaat. Hij kwam aan tafel, nam recreatie, ging mee op wandeling enz. Het bleek echter ook volgens de mening van den dokter dat de kwaal voortkwam uit een verkankering van de lever en andere inwendige lichaamskwalen; daarbij voegde zich waterzucht.
Het duurde dan ook niet lang of hij moest het bed houden en mocht de ziekenkamer niet meer verlaten. De retraite van 17 – 23 Augustus maakte hij niet meer mee.
Weldra moesten hem de laatste Sacramenten worden toegediend; daarop ontving hij menigmaal bezoek van zijn bloedverwanten, vooral van zijn moeder en broederreligieus, die hem dan trouw verzorgden. Men mocht zijn bed niet meer verlaten, dag en nacht werd er gewaakt, tot hij na meermalen met de Sacramenten versterk te zijn op 13 September 1919 des morgens om 3.30 uur zacht en kalm overleed.
Broeder Carolus was steeds weinig van zeggen, slechts zelden zag men hem vrolijk en opgewekt. Een gevolg van zijn kwaal? Kwam het aanhoudend koud water drinken ook daaruit voort? Op 31 jarige leeftijd heeft hij zijn loon al vroeg verdiend, ofschoon hij nog graag wat langer voor de Congregatie had gewerkt.
Met recht zegt men op zijn bidprentje: “De kracht des eenvoudigen is de weg des Heeren”, en “God heeft hem om zijn onschuld aangenomen en hem bevestigd voor Zijn aanschijn in eeuwigheid.
Bronnen : – Geschriften van broeder Pacificus)