IM041 BROEDER CORNELIS (JOANNES BARTELS)

041 BROEDER CORNELIS (JOANNES BARTELS)

Geboren te Etten : 16 -05- 1838
Ingetreden : 05 -12- 1867
Inkleding : 11 -06- 1868
Professie : 14 -09- 1872
Overleden te Huijbergen : 07 -02- 1922
Begraven op het kloosterkerkhof.

Broeder Cornelis was een neef van broeder Angelus (J. Bartels) die in Etten was geboren op 11 juni 1862 en al vroeg gestorven. Welke taak of bediening broeder Cornelis heeft vervuld is niet bekend.
Wel weten we dat hij op zijn oude dag borstels maakte; zijn werkplaats was de schoenmakerij. Hij verwerkte uitsluitend varkenshaar en zijn borstels waren onverslijtbaar. Naast het werk van borstels maken, zorgde hij voor de tafel van de weeskinderen en daarvoor ging hij zelf het eten in de keuken halen.
Als het dan klaar was en hij in de keuken kwam, dan zeiden de koks, als het voor de zoveelste keer in de week stamp was, dat er nog azijn bij moest. Maar volgens broeder Cornelis kon je er dan beter water bij doen.
Ook ging hij dikwijls wandelen met de kleine weeskinderen.

Broeder Cornelis Bartels werd uit brave ouders te Etten geboren. Hij zag het eerste levenslicht op de boerderij, zo algemeen bekend en “Het Hof” geheten. Vader en moeder en een talrijk kroest, waarvan er nu nog twee in leven zijn, leidden daar een onbekommerd en vrolijk leven.
Alleen Jan, toen 29 jaar oud, besloot de wereld te verlaten en geheel voor God en zijn ziel te leven, en 5 december 1867 trad hij in de Congregatie van de Christelijke Broeders der Onbevlekte Ontvangenis van de Allerheiligste Maagd en Moeder Gods Maria te Huijbergen. Bij zijn inkleding nam hij de naam van broeder Cornelis aan.
Het aantal broeders was toen heel klein, ongeveer 30 en het werk voor pensionairen en wezen zeer groot, zodat ieder van ‘s morgens vroeg tot ‘s avonds laat met bezigheden overladen was. Broeder Cornelis klein van stuk en zwak van gestel verrichte huiselijk werk: kamers vegen, bedden opmaken, gerieven reinigen enz. In zomertijden hielp hij op den akker en in de schuur. Boerenarbeid werd toe nog door de broeders verricht. Maar wat er ook gebeurde, hij hield van een grapje en zorgde er voor dat de vrolijkheid onder de broeders niet verloren ging en zijn grappen deden, waar het paste, allen schateren van het lachen.

Ouder geworden werd hij aamborstig en verkeerde meer dan eens in levensgevaar, zodat hem de laatste H. Sacramenten moesten worden toegediend, maar telkens kwam hij er weer bovenop. Dan zag men hem jarenlang met de kleine weesjes op wandeling gaan. In den omtrek leerden allen hem kennen en beminnen en het was zijn grootste geluk als men die kleine weesjes trakteerde op een appel of een handvol kersen. Maar ten laatste verloor hij ook die post. Op zijn eentje wandelde hij in de woestijn of in de dreven van het Instituut. Om den H. Cornelis in Hoogerheide te gaan vereren, zoals hij vroeger trouw placht te doen, ging ook niet meer. Men had hem een kamertje gegeven, waarin hij at en sliep; hiermee was hij hoogst ingenomen en hij stond er op dat men niets weg nam of verborg; dan kon hij mopperen. Maar alles was weer aanstonds vergeten. In dat vertrekje vervaardigde hij jarenlang borstels; het varkenshaar daarvoor kocht hij zelf bij dezen en genen boer op.
Maar zijn liefste bezigheid was met zijn rozenhoedje in de hand, door de tuin te wandelen. De rozenkrans was hem dierbaar. In 1920 mocht hij zijn gouden professiefeest vieren en wel op de voorgeschreven canonieke wijze. Jaren tevoren had hij al gezucht dat hij dat feest niet meer beleven zou en men kan zich voorstellen wat blijdschap hem bezielde toen de schone dag voor hem aanbrak, Op 22 januari begon zijn laatste ziekte waaraan hij stierf in de leeftijd van 84 jaar.

Bronnen: – Geschriften van Br. Pacificus.
– N.N.