IM043 BROEDER BONAVENTURA (JOANNES WITLAU)

043 BROEDER BONAVENTURA (JOANNES WITLAU)

Geboren te Rijp : 01 – 11 – 1862
Ingetreden : 16 – 11 – 1885
Inkleding : 28 – 02 – 1886
Eerste Professie : 08 – 09 – 1888
Eeuwige Professie : 30 – 08 – 1890
Overleden te Huijbergen : 16 – 02 – 1924
Begraven op het kloosterkerkhof.

Voor de grootste periode heeft broeder Bonaventura de zorg gehad voor twee bedieningen, kok en ziekenverzorger. In beide bedieningen wist hij zich helemaal te geven.

Veel oudere broeders zullen hem in hun geest nog voor zich zien deze broeder Bonaventura, zoals hij in zijn laatste levensjaren op Ste. Marie rondwandelde. Hij was lang en mager, lichtelijk voorovergebogen met spierwit haar.
Hij was versleten voor zijn tijd, want met zijn 60 jaar zou men hem voor een man van 80 hebben aangezien. Kwam dat misschien door zijn hard tobben en sjouwen? Want dat was broeder Bonaventura: een harde zwoeger, een wroeter die zichzelf niet spaarde, een doorzetter en een taaie volhouder. Broeder Bonaventura was voordat hij naar het klooster ging, schipper bij de binnenvaart: een zwaar bedrijf waarbij, zeker in die tijd, stevig moest worden aangepakt.
Op 23 jarige leeftijd kwam hij in 1885 naar Huijbergen. Over zijn schippersloopbaan en de avonturen daarbij beleefde, kon hij als broeder smakelijk vertellen. Maar in het Huijbergse klooster kreeg hij niet veel gelegenheid om zijn schippershart op te halen. Men wist hem daar wel op een andere manier aan het werk te zetten. In plaats van een weerbarstige schuit moest hij als eerste kok een onhandelbare kolenkachel bedwingen. Zijn eeltige schippersknuisten, die trossen en meertouwen hadden gehanteerd, moesten nu met potten en pannen jongleren. Een zware pollepel waarmee hij in pap en soep “roerde”, verving de helmstok. Misschien zag hij zich in zijn schippersdromen als kapitein aan het roer staan van dit roestige provianderingschip, om te trachten deze Huijbergse aardappelschuit door de woeste golven van olie en vet en door mistbanken van stoom en rook veilig heen te loodsen.

Nadat hij als “koksmaat” afgemonsterd had, heeft hij nog jarenlang het beroep van “scheepsarts” oftewel van ziekenbroeder uitgeoefend. Praktische opleiding was er zeker in die tijd niet zo erg bij. Maar ja, een huismoeder weet ook naar omstandigheden te handelen en doet dat meestal met veel succes, ook al is die niet geschoold in het vak van de verpleging. Zo was het ook met broeder Bonaventura. Hij was vol ijver, toewijding en liefde; niets was teveel en elk uur van de dag en zonodig ook van de nacht stond hij klaar als zijn diensten gevraagd werden. De allereerste behandeling, die vrijwel elke lijder aan maag- of ingewanden
storingen moest ondergaan, was de “wonderoliekuur”. Broeder Bonaventura was er heilig van overtuigd, dat een flinke lepel wonderolie wonderen deed. Dat was ook wel zo, maar het waren niet altijd de gewenste wonderen. Na de wondere resultaten van deze wonderoliekuur volgde dan de “peperkoektherapie. Het zaakje moest aan het rollen blijven en dus maar peperkoek eten!! En als klap op de vuurpijl werd deze doeltreffende geneeswijze dan ‘s avonds besloten met de ” papkuur”: een stevig bord pap karnemelk met stroop als “slaapmutsje”. De grootste geruststelling, troost en bemoediging die broeder Bonaventura aan zijn zieken meende te kunnen geven, was de verzekering, dat de ziekte helemaal niet verontrustend was, want dat hij die zelf ook wel eens had gehad en er dus volledig van op de hoogte was.

Toch leed hij zelf aan een geheimzinnige kwaal; niemand wist wat er gaande was. De dokters hielden in die tijd veel meer voor zich. Hij kwijnde langzaam weg en zijn lichaamskrachten gingen zienderogen achteruit.
Het werd echt sukkelen en na een kort ziekbed is hij op 61 jarige leeftijd zacht en kalm overleden.