077 BROEDER SALVATOR (EDUARDUS JOS DE WAAL)
Geboren te Hontenisse : 24 -10- 1872
Ingetreden : 30 -03- 1902
Eerste Professie : 03 -04- 1904
Grote professie : 15 -04- 1906
Overleden te Breda : 22 -01- 1944
Hij was wel niet precies een jongeling toen hij intrad maar hij heeft toch wel de roep verstaan van veel bezittingen prijs te geven. Het was een eenvoudige Zeeuwse boer, die zijn hele leven in zijn taal zeeuws is gebleven, graag over Lamswaarde en Snisse wat vertelde maar in geen enkel opzicht deelde in het chauvinisme dat nogal wat streekgenoten kenmerkt. Hij was niet geleerd, maar wel verstandig. Niet sterk van lijf en leden maar wel voldoende mans om niet met zich te laten sollen. Het was geen gemakkelijke taak om al tamelijk vroeg het Oosterhoutse convent te beheren, waar drie mensen in korte tijd moesten uittreden (1908-1918, 1921-1925). Hij had daarbij als adviseur de Rector van de Jezuïeten, die vlak bij woonden en daar vond hij voldoende steun om zich door moeilijkheden heen te worstelen. Het huis van Oosterhout had de zorg voor een bewaarschool, een lagere school en een patronaat en een weeshuis. Van geen dezer vier instellingen had hij de leiding, maar het is wel tekenend, dat hij langs alle vier veel kennissen en vrienden heeft gekregen door zijn milde goedheid. Hij had voor iedereen belangstelling en leefde met ieders zorgen mee.
De heren van het Vincentiushuis, de notabelen bij uitstek hadden veel vertrouwen in hem en hij wist daar gebruik van te maken in de tijd dat het inkomen van de broeders zeer schaars was. Peer v.Etten, Nol van Etten, Jan Oomen de architect kregen nogal eens bezoek van Broeder Overste en ze waren hem ter wille. Van een zuinige vincentiaan wist hij graag te vertellen dat die in de winter in zijn kamer een brandend kaars in de kachel zette om de gezelligheid te wekken, dat er gestookt werd. Als er jongens waren, die wel broeder wilde worden, maar die het niet konden betalen, dan wist hij het geld wel te krijgen bij goeie mensen. Van Nol van Etten wist hij het geld los te peuteren voor het eerste houten altaar van de kweekschoolkapel te Breda. Toen dit later vervangen werd door het latere stenen altaar durfde hij Nol nog gerust uit te nodigen om eens naar “zijn altaar” te gaan kijken, hoewel dit naar de Hoogstraat in Bergen op Zoom verhuisd was.
Br. Gummarus, die hoofd geworden was in 1922, zou graag ‘De Tijd’ lezen. Nu zei Salvator tegen Nol v. Etten: Onze pastoor de Greeve (die bij de broeders woonde) zou zo graag De Tijd lezen, Meneer v.Etten en wij hebben die niet. Kunt U misschien de krant bij ons in de bus gooien als u hem uit hebt? Nol vond het een eer om zijn krant elke dag bij de broeders in de bus te deponeren en Gummarus kon de krant lezen. Op een keer echter vroeg Nol aan de Pastoor hoe de tijd hem beviel maar de Pastoor wist van niets!
Toen de soldaten tussen 14 en 18 in het patronaat lagen en huishielden werd bij hun vertrek het stro in een hoek van de speelplaats opgehoopt. De volgende troep kwam binnen en de kolonel vroeg aan Br. Overste of hij geen adres wist voor stro. Ja, hij wist er wel wat op, en verkocht het stro van de speelplaats voor een zacht prijsje. De volgende afdeling heeft ook nog eens mogen profiteren van hetzelfde slaapstro, al hadden de kippen, die rondliepen om de rest van de kuch op te eten er nog hun bijdrage aan geleverd. Nu heeft Salvator later wel eens opgebiecht, dat hij het met de retraite met de pater over had gesproker of dat allemaal wel in orde was, maar die had hem gerust gesteld, omdat de mannen zoveel schade hadden berokkend, dat hij er wel wat voor terug mocht hebben.
Van Oosterhout is Salvator naar de Hoogstraat vertrokken, waar hij ook weer goed vader heeft gespeeld (1918 – 1921). In September 1921 ging Salvator weer naar Oosterhout om daar Br.Cyrillus op te volgen. Het weeshuis en de bewaarschool waren opgedoekt, maar het patronaat bestond nog en gaf hem de gelegenheid om over de jongens te vaderen.
De arme mensen uit Oosterhout kenden allemaal Br. Salvator wel, want hij deed niets liever dan goed.
Toen hij naar het Willibrordushuis ging was het ook weer zo. Al was er onder de oorlog niets te krijgen zonder bon, Br. Salvator stuurde niemand zonder iets weg.
Ja, Broeder Salvator was een man, die graag bad en hij die in de eerste tijd zoveel had prijsgegeven heeft zeker nu het honderdvoudige gekregen en zal zeker bij O. L. Heer nog graag aankloppen voor de broeders ook al zouden die zoiets als “Uit de tijd” vinden.
Bronnen: N.N.