089 BROEDER MICHAEL (CHRISTIAAN PETRUS PASSIER)
Geboren te Tilburg : 19 -06- 1892
Ingetreden : 19 -04- 1908
Inkleding : 29 -08- 1908
Kleine Professie : 25 -05- 1913
Overleden te Huijbergen : 25 -01- 1951
Broeder Michaël was op vele plaatsen werkzaam in het onderwijs. Hulst (1911-1912), Bergen op Zoom Boxhoornstraat (1912), Huijbergen (1912-1913), Breda Leuvenaarstraat (1913-1915), Oosterhout Gasthuisstraat (1915-1919), Breda Leuvenaarstraat (1919-1920), Huijbergen (1920-1923) en ten slotte als hoofd van de U.L.O in de Karrestraat te Breda (1923-1951).
Op 1 september 1923 leerde ik Br. Michaël kennen toen ik met mijn vader, die me voor de eerste schooldag op de Mulo wegbracht, het groene hek passeerde, en hij ons daar stond op te wachten. Vreemd is het dat je van zulke momenten de meest onbeduidende dingen onthoudt. Ik weet niet meer of Br. Michaël me bemoedigend heeft toegeknikt of toegesproken, noch wat hij allemaal tegen mijn vader gezegd heeft, maar nog klinkt in mijn oren: “Hij kan nu beginnen met een uur Duits”. En deze aankondiging was voor mij het openstoten van de poort die leidde naar al het wonderlijke dat mijn kinderlijke fantasie rond de Mulo weefde. Eén ding zal ik echter niet verwacht hebben, n.l. dat die eerste officiële stap door dat oude, groene hek tevens de eerste stap zou worden naar een ideaal waarvan ik toen nog niet dromen kon. Br. Michaël had zo zijn eigen manier om met de jongens om te gaan en hen aan zich te binden om hen ongemerkt voor een ideaal te begeesteren. In de keuze der middelen daartoe week hij, geloof ik niet bijzonder af van het gebruikelijke, maar mogelijk wel in de geest die dit alles bezielde.
Voor mij liep die binding misschien langs het misdienen in de kapel der Broeders, of langs een of andere boodschap, ik weet het niet, maar wel staan helder in mijn herinnering de verhalen die hij, als het te pas kwam onder de les, over Huijbergen vertelde. Daarin lag altijd iets aparts waarderends, zodat je Huijbergen vanzelfsprekend als iets groots en moois ging beschouwen.
Wat misschien vreemd moge lijken, nooit heb ik hem horen vermelden, dat het ook mogelijk was voor jongens van onze slag om daar Broeder te worden. Directe propaganda lag, meen ik niet zo zeer in zijn aard. Hij heeft me er ook nooit naar gevraagd, en pas op het laatste moment, juist voor het Mulo-examen, stond me het ideaal om Broeder te worden ineens en duidelijk voor de geest.
Waarschijnlijk had zijn pedagogische kennersblik dat al lang ontdekt, dat is zijn geheim gebleven. Voor mij staat echter vast, dat hij daarin, van menselijke kant bekeken, een stevige hand gehad heeft. Ik ben de eerste geweest, die hij van de Mulo “naar Huijbergen stuurde”, maar niet de laatste.
Uit deze persoonlijke herinnering zou Br. Michaël voor u kunnen oprijzen, als een goed en zacht man, wat hij inderdaad was, maar ge zoudt mogelijk vergeten, dat hij daarnaast ook zeer krachtig kon optreden. Het ongedurige Mulo-volkje zat er bij hem stevig onder, ten bewijze waarvan ik slechts behoef terug te grijpen naar persoonlijke herinneringen. Toen ik op een vriesdag de muren van de cour in grote sneeuwletters met het woord “vrij” beplakt had, strafte hij me grondig en degelijk af. Hij bezat de gave om goedheid en strengheid te doen samengaan. Bovendien had hij een hoge mate van evenwichtigheid tegenover zijn jongens, wat aan zijn opvoeding de nodige rust gaf, onontbeerlijk voor een blijvend succes.
Uiterlijk onopvallend is Br. Michaël in meer dan 25 jaar zijn weg door Breda gegaan, maar zijn bescheidenheid was geen valse schuchterheid; hij bezat de gave om met mensen, van welke rang of stand ook, om te gaan.
De spreekkamer van de Karrestraat zou kunnen getuigen hoevelen bij hem om advies aanklopten en hoezeer zijn raad gewaardeerd werd. Stilaan had hij zich in Breda een invloed verworven, die ieder schoolhoofd hem benijden kon, een invloed, die hij nooit aanwendde ten eigen bate, maar steeds tot voordeel van hen die aan zijn zorgen waren toevertrouwd of om bijstand vroegen. Hij kon als het moest vechten voor zijn jongens en zijn school, wat nog bleek in de laatste jaren, toen de oude Lambertus-Ulo door andere opkomende scholen bedreigd werd. Dan was hij onverzettelijk en de zachte, minzame man groeide dan uit tot een krachtig geharnast strijder, die niet week, zelfs niet voor de sterkste tegenspeler.
Ik weet het, Br. Michaël heeft in de ontwikkeling van het Mulo-onderwijs het getij mee gehad, maar het blijft toch zeer de vraag, of de positie van onze Congregatie op dit gebied in Breda zo zou zijn uitgegroeid, en hier bij let ik meer op de kwaliteit dan de kwantiteit, als hij niet in deze jaren aan het roer had gestaan.
Zijn school was een model, niet alleen wat opvoeding en onderwijs betreft, maar evenzeer om de echte collegiale geest die hij bij zijn personeel wist te scheppen. Wat moet het hem dan ook niet gekost hebben, toen hij zag dat dit werk langzaamaan aan zijn handen ontglipte, en in intieme gesprekken gaf hij daarvan wel eens een keer blijk.
Dit was de tragiek van zijn leven, dat menselijkerwijze gesproken nog te vroeg eindigde. Maar ik geloof dat er boven anders geoordeeld zal zijn, want daar heeft men ook juist kunnen uitmeten welke geestelijke achtergrond dit prachtige werk jarenlang heeft geschraagd.
Ge zult misschien opmerken, dat dit In Memoriam al te persoonlijk gekleurd is en dat er slechts gedacht werd aan zijn werk in de Karrestraat. Maar ik meen met een gerust hart te kunnen zeggen, dat Br. Michaël, zoals ik hem u schetste, in onze herinnering zal voortleven. En allen die met hem nader in contact gekomen zijn, zullen in hem, al is het dan onder andere omstandigheden, dezelfde eigenschappen hebben opgemerkt. Dat ik ze in een persoonlijk gewaad voor U deed verschijnen, was slechts om ze helderder te laten uitkomen.
De velen, die hem gekend en geacht hebben zullen teruggaan in hun herinnering en beamen dat het waar is, wat staat op zijn bidprentje: “Zijn gebondenheid aan God door religieuze plichten en gebed maakte hem onvermoeibaar in toegewijde dienstvaardigheid voor de velen, die men zo graag aan hem toevertrouwde”. God moge hem daarvoor reeds het eeuwige loon gegeven hebben.
Bronnen: Br. Antoninus (Leer en Leven)