IM103 Broeder Gonzaga Vromans

103 Broeder Gonzaga Vromans

Geboren te Gilze : 24-04-1900
Ingetreden : 31-05-1919
Eerste Professie : 11-01-1921
Eeuwige Professie : 13-01-1924
Overleden te Nyarumkop : 27-06-1958

In 1924 waren er vijf broeders nodig om de nieuwe communiteit in Pontianak op te beginnen. Vijf broeders hadden zich opgegeven (Edmundus, Rufinus, Rudolphus, Marcelinus en Stanislaus) maar de drie laatste werden bij een gezondheidskeuring afgewezen. De algemene overste Br. Silvester ging op zoek naar drie andere kandidaten. Zo vertrokken op 26-04-1924 de broeders Gonzaga, Edmundus, Rufinus en Bertrandus met het schip Johan de Wit naar Indonesië en zou broeder Hyronimus hen een half jaar later volgen.

Gonzaga begon, onder leiding van broeder Maternus als hoofd, les te geven aan de Holland-Chinese-School (HCS) in Pontianak die op 01-07-1924 door de broeders overgenomen was van de regering. Het jaar daarop verhuisde hij naar de HCS in Singkawang waar hij 23 jaar werkzaam was. Naast zijn taak op school studeerde hij ook de Indonesische taal en slaagde in 1930 voor zijn eindexamen te Jakarta met lof van zijn examinatoren.

Om een mogelijkheid voor voortgezette vorming te scheppen was Broeder Edmundus in 1928 voor de oud-leerlingen begonnen met een jeugdbeweging in Pontianak. Niet lang daarna begon broeder Gonzaga in Singkawang een afdeling van de Chinese Jongensbond in Singkawang, “Jong Singkawang” genaamd. Twee tot driemaal per week hadden ze een bijeenkomst waar broeder Gonzaga dan ook cursussen gaf. Toen in 1932 broeder Bernulfus kwam werd de groep gesplitst in Junioren en Senioren. Het succes van de broederschool was er de oorzaak van dat de Nederlandse school in Singkawang 1933 gesloten werd, want alle Nederlandse kinderen zaten bij de broeders of bij de zusters op school.

Ion 1936 werd in Singkawang een tweede internaat geopend voor kinderen waarvan de ouders niet bekend waren, zeij werden ook wel Missiekinderen genoemd. Ook katholieke kinderen uit het binnenland konden daar terecht voor een geringe vergoeding van drie gulden per maand. Voor dit internaat werd ook een aparte Chinees-Malaische-School, de Fang Tsi, opgericht. In de voormiddag gaf Gonzaga les aan de HCS, in de namiddag onderwees hij Maleis aan de Fang Tsi en s’avonds was hij bij Jong Singkawang! Een volle dag!!

Op feestdagen hield hij ervan om met de leerlingen te gaan fietsen naar Pasir Panjang, Pemangkat, en andere plaatsen. Eind 1939 kreeg Gonzaga last van hoge bloeddruk. De dokter adviseerde hem veel te wandelen. Hij stond daarna een uur eerder op om ochtendgymnastiek te doen voor het morgengebed. Maar zijn bloeddruk veranderde niet.

Op 10 mei 1940 viel het Duitse leger Nederland binnen en op 18 december 1941 brak di Pacific oorlog uit. Bij de komst van het Japanse leger in Singkawang (29-01-1942) kregen de broeders huisarrest, te samen met de andere Nederlanders in het internaat. Op 14-06-1942 werden ze verhuisd naar het kamp te Kuching – Serawak. De gezondheid van broeder Gonzaga ging in korte tijd snel achteruit. Toen het werk buiten het kamp voor hem te zwaar werd maakte hij zich in het kamp verdienstelijk door de groenten en de knollen schoon te maken, het werf te vegen en een klein gebouwtje dat we WC noemden schoon te maken. Twee maal per dag bracht hij de inhoud van de WC naar de groente telers die er erg blij me waren. Van een Engelse MillHill pastoor leerde hij Engels en hij onderwees hem Maleis. Het laatste jaar in het kamp verslechterde zijn gezondheid. Eind 1945 verbleven we drie maanden in op de militaire basis van het Australische leger op het eiland Labuan om weer op krachten te komen. Ook Gonzaga herstelde goed en hoefde niet terug naar Nederland. Op 06-12-1945 waren we weer terug in Pontianak en Gonzaga ging door naar Singkawang waar hij hoofd van de school en overste van de communiteit werd.

Mgr. van Valenberg vroeg de broeders in 1948 te helpen in het dorpje Nyarumkop een scholen centrum voor daya kinderen uit het binnenland te helpen ontwikkelen. De broeders Gonzaga en Bernulfus kregen de opdracht in Nyarumkop te beginnen. ( Beiden waren toen al 16 jaar niet meer op verlof geweest naar Nederland). Gonzaga begon met een O.V.O. (Opleiding voor Volksonderwijzers) waarvan de leerlingen na een jaar voldoende moesten weten om les te kunnen geven aan een dorpsschool. Alles was heel eenvoudig en er waren veel tekorten. Toen broeder Marcoen eind 1948 pas aangekomen was en met Borromeus en Robertus naar Nyarumkop fietsten om kennis te maken met Gonzaga, liet hij zich ontvallen: “Wat een gammele bedoening hier”. Op de pastorie had Gonzaga een heel klein eenvoudig kamertje, wat op instorten stond. Maar hij kon zich aanpassen, ook op school waar aan alles gebrek was. Van harte wijdde hij zich aan zijn taak en werd Daya met de Daya’s zoals hij in Singkawang Chinees met de Chinezen was geweest.

Na een jaar kreeg Gonzaga verlof van de regering om de O.V.O. van een jaar om te bouwen tot een M.V.O. van twee jaar. Nu kon meer aandacht besteed worden aan pedagogiek en methodiek en ook rekenen kreeg veel meer aandacht. Op verzoek van Gonzaga gaf Pater Leo untuk godsdienstles, in ieder klas 6 a 8 uur per week waardoor de onderwijzers tevens ook catechist konden worden in hun dorp. Omdat het vicariaat Pontianak over onvoldoende middelen beschikte nam broeder Gonzaga contact op met zijn oud-leerlingen in Singkawang en Pemangkat. En met hun hulp kon hij een mooi bedrag bij elkaar krijgen zodat er iets gedaan kon worden aan sport en met de leerlingen kon een voetbalveld worden aangelegd.

Hij zocht ook contact met de Dayas, bezocht de dorpjes tijdens vakanties, ging met de pastoors op tournee naar verder afgelegen dorpen en sprak met de mensen . Toen hij in 1950, nadat Bernulfus terug was van verlof, na ook naar Nederland mocht zeik hij: (Ik kom zo snel mogelijk terug!” Bij het afscheid bleek overduidelijk hoe groot de waardering van de leerlingen voor hem was. Ook zij zagen verlangd uit naar zijn terugkomst.

In Nederland bleek dat het kampleven zijn sporen nagelaten had. Zijn hart was niet in orde en zijn bloeddruk veel te hoog. Toen hij na verloop van tijd en na de nodige medicaties aan de dokter vroeg: “Mag ik nog terug naar Kalimantan, of is dat niet verantwoord meer?” Kon de dokter geen duidelijk antwoord geven en Gonzaga besloot om terug te gaan naar de Daya’s waar hij nog zoveel wilde doen.

In juli 1951 was broeder Gonzaga terug in Nyarumkop en begon met een voortgezet onderwijs (SMP) voor de daya-jeugd. De leerlingen kwamen van ver en er waren maar twee leerlingen die slaagden voor hun toelatingsexamen maar dat was voor Gonzaga geen bezwaar:”Ik zal zorgen dat alle 50 leerlingen hun achterstand inhalen!” Vijftig leerlingen die bijna allemaal op het internaat woonden waar slechts met moeite een plaatsje te vinden was. Zelfs het kippenhok en het houtschuurtje werden ingericht als slaapplaats! Vanaf 1952 nam het aantal broeders in het scholencentrum ieder jaar toe met een of twee broeders. Ook voor hen was het moeilijk een onderkomen te vinden tot in 1954 hun eigen huis klaar was en genoeg ruimte bood voor de communiteit van 7 broeders onder de leiding van broeder Gonzaga. Met de leerlingen had hij lang van te voren rond het huis al verschillende vruchtbomen gepland. Onder de vakanties trok hij samen met Bernulfus naar de dorpen om retraites te geven aan de onderwijzers en hen de nodige voorlichting te geven over nieuwe ontwikkelingen en methodes. Op deze manier gaven ze ook bekendheid aan de “Witte Broeders”.

Begin 1956 kreeg Gonzaga een hersenbloeding en moest met spoed naar Nederland voor behandeling. Toen hij na hersteld te zijn de dokter weer vroeg of hij terug ,mocht naar Nyarumkop zei deze: “Nederland is niet veiliger voor je gezondheid dan Nyarumkop maar je moet voorzichtiger zijn met jezelf, minder werken, minder eten en meer bewegen! Broeder Gonzaga ging terug naar Nyarumkop en probeerde de raad van de dokter op te volgen. Maar op 27 juni was hij smorgens niet in de kapel voor de meditatie. Een broeder ging hem roepen maar vond hem dood op bed.
Br. Bernulfus