106 Broeder Chrysanthus Lesger
Geboren te Amsterdam : 15-02-1920
Ingetreden : 14-08-1939
Eerste Professie : 19-04-1941
Eeuwige Professie : 19-04-1944
Overleden te Nyarumkop : 31-04-1960
Jan Lesger was met zijn broer (Clé) leerling van de Broederschool in de Vredesparochie te Amsterdam. Hij was levenslustig, hield van sport en spel, van drukte en rumoer.
Als hij wat ouder wordt gaat hij naar het Juvenaat in Huybergen en is daar een ijverig student.
Als broeder bouwt hij zijn leven verder op en geeft zijn beste krachten. Een pracht van tenorstem had Jan. Zijn vurige wens om naar de missie te worden uitgezonden werd werkelijkheid bij zijn benoeming in 1948.
In opgewekte zin is hij in 1939 in de Congregatie getreden en op 28 december 1948 naar de Missie vertrokken. En hij heeft zijn vrolijkheid bewaard tot de dag van zijn plotselinge dood toe. “Men was altijd met hem bezig, en dat wou en dat kon hij hebben; maar hij liet zich niet overrompelen. In zijn blijheid gaf hij vaak arias ten beste, die ver te horen geweest moeten zijn, zo schrijven zijn medebroeders. En Moi Lan, de oude Chinese getrouwe in ons klooster te Singkawang, zei onder tranen, in herinnering aan de jaren dat hij onder haar hoede had doorgebracht: “Hij was het zonnetje in huis.” Deze monterheid ging in hem zonder een zweem van gemaaktheid samen met grote ernst, Dat hebben degenen ondervonden, die “zaken” met hem hadden te doen, het zij deze op materiële het zij vooral op meer spirituele dingen betrekking hadden.
Zijn heilige professie en het zich beschikbaar stellen voor de Missie van de Congregatie waren daden van overtuiging. Dat zal Moeder Lesger zich nog levendig herinneren. De sterkte, waarmee hij de plotselinge tragische dood van zijn veelbelovende broer Clé, onze Broeder Laurentius, wist te dragen, was bewonderenswaardig. En van zijn onderwijzer- en 1eraarschap maakte hij zich niet lichtvaardig af. “Broeder Chrysanthus”, schreef de regionale overste Emmanuel ” had zich door ijverige voorbereiding merkwaardig ontwikkeld”. Op het gebied van aardrijkskunde, biologie en geschiedenis had hij het bepaald ver gebracht, met wiskunde was hij aardig op gang en tekenen deed hij vaardig. Zijn karakter had niets geforceerds; op natuurlijke wijze was het tot gezonde mannelijkheid uitgegroeid. Daarin paste harmonisch zijn ongekunstelde vroomheid. Dat hij, een paar maanden voor zijn dood, in zijn laatste brief aan de Algemene Overste, deze nog aan een gesprek herinnert over het Nederlands “Klein Brevier” is niet toevallig.
Vanuit zijn middagslaap is hij overgegaan naar de eeuwigheid; het volkomen onverwachte van dit sterven heeft allen die hem kenden diep getroffen. Zijn medemissionarissen vereren in hem een confrater die met hart en ziel tot hun gemeenschap behoorde; zijn Moeder die het huis al gereed had gemaakt om hem na bijna twaalfjarige afwezigheid te ontvangen en Zijn Zusters en Broers, missen hem temeer daar hij een echte Lesger was gebleven, een waardig lid van deze schone in liefde om de Ouders gegroepeerde familie. Moge de herinnering aan zijn adeldom, en de overtuiging dat hij in zijn staat gelukkig was, mede doordat hij zich met al zijn toewijding mocht inzetten voor het heil van anderen, ook op speciale wijze voor de priesters in zijn dierbare missie, hen allen tot troost zijn.
(uit familienummer van Leer en Leven 1961)