107 Broeder Martinus Rijken
Geboren te Princenhage : 01-12-1869
Ingetreden : 08-12-1892
Eerste Professie : 08-12-1894
Eeuwige Professie : 08-12-1896
Overleden te Huijbergen : 05-04-1960
Gevallen is de boom, die weer en wind trotseerde
Geveld ligt de eik nu, de oudste van het woud:
Martinus, sterk en kras, die nimmer iets mankeerde,
Werd in een week gesloopt, haast honderd jaren oud.
Wat heeft hij hard gezwoegd gedurende zijn leven,
Als kok en lingerist, als tuinman, surveillant!
Het ambt van Overste werd tweemaal hem gegeven,
Maar het allerliefste toch bewerkte hij het land!
Zo hebben ze hem gekend in het landelijke Haaren:
Een spitter in de tuin, een wroeter in het zand,
die mestte daar de grond, er wiedde zoveel jaren
Er kweekte groente, fruit, met kunde en verstand
Een man van diep geloof, een taaie noeste werker,
eenvoudig, vroom en goed, steeds opgeruimd van aard
Die hoge ouderdom slechts scheen te maken sterker;
Tot plotsling hem ook trof, de Dood, die niemand spaart.
Martinus, tuinman nu in de hemelse landouwen,
Uw voorbeeld en uw deugd blijft in ons hart bewaard.
Gij moogt de eeuw’ge pracht hierboven nu aanschouwen
Wees ons een stut en steun beneden hier op d’aard.
Broeder Martinus heeft in zijn lange kloosterleven velerlei functies bekleed.
Hij is surveillant geweest bij de wezen in de Karrestraat te Breda; bij de jongens van het Willibrordushuis in dezelfde stad; in het pensionaat te Huybergen; ook bij de juvenisten van de Kweekschool en Ste Marie. In Hulst en Haaren is hij Overste geweest. In deze laatste plaats heeft hij, nadat in november 1941 het Huybergse Instituut door de Duitsers in beslag was genomen, van 1941 tot 1957 “gerust”. Dat betekent dat hij groenten en fruit heeft gekweekt, toen het eigen bedrijf niet groot genoeg was voor zijn werklust, kreeg hij van Pastoor van Rooy bovendien nog een groot stuk van diens tuin in gebruik, varkens, kippen en konijnen opgefokt, grote wandelingen gemaakt, waarbij zijn compagnon, Br. Basilius z.g. die 20 jaar jonger was, tot vermaak van Br. Martinus “de oude Broeder” werd genoemd, en veel en vurig gebeden.
In 1957 werd hij ernstig ziek en moest voorzien worden van de laatste H. H. Sacramenten. Hij kwam er weer bovenop en ging voor volledig herstel naar Huybergen. Daar heeft hij nog drie jaar zijn bidden voortgezet en tot drie dagen voor zijn dood, of hij een jonge man was, in de tuin gewerkt.
Religieus was Br. Martinus tot in zijn vingertoppen, zijn aantrekkelijke menselijkheid heeft daarbij slechts gewonnen. Jong van hart bleef hij tot het laatste. Toen het Nederlands Brevier met zijn telkens wisselend officie werd ingevoerd, weigerde hij gebruik te maken van de dispensatie die de bejaarden toestond het oude “Officium Parvum” te blijven bidden, en hij was eenvoudig genoeg bij het opzoeken van de tekst de hulp van een novice te aanvaarden. Attent was hij voor zijn medebroeders, en op zijn beurt dankbaar voor de genegenheid die hem werd bewezen.
De Congregatie had hij lief uit heel zijn hart. Zijn werkkracht vond een prikkel in de gedachte dat zijn arbeid de gemeenschap ten goede kwam, en hij was teleurgesteld als dat niet in die mate gebeurde als hij verwacht en bedoeld had.