130 Broeder Celestinus van Aert
Geboren te Rijsbergen : 06-04-1874
Ingetreden : 01-10-1904
Eerste Professie : 31-03-1907
Eeuwige Professie : 11-04-1909
Overleden te bergen op Zoom: 26-04-1966
Met Broeder Celestinus is de oudste Broeder van onze Congregatie heengegaan.
Hij is 92 jaar geworden en was daar wel wat trots op.
Broeder Celestinus was een bijzonder merkwaardig man. Men hoefde hem niet lang te kennen om dat te ervaren, en die indruk werd ook bij ruimere contacten met hem niet weggenomen.
Bidden was zijn paradijs. Naast de gebeden, die iedere Broeder van Huybergen dagelijks verricht, had hij een groot aantal andere oefeningen op zijn program, waarvan hij tot aan zijn sterven trouw is gebleven. Het aantal kruiswegen dat hij deed groeide met het verminderen van zijn lichamelijke krachten. Hij had amper beneden in de kapel de veertien staties uitgebeden, of hij sloop het zangkoor op om daar weer aan de eerste statie te beginnen. In deze en vele andere gebeden was hij vast niet “modern”, zijn kamer, die een heiligdom was van allerlei beelden en prentjes, (soms door anderen in de steek gelaten was daarvan een getuigenis. Het bidden was voor Broeder Celestinus geen voorwendsel om het werk te ontlopen. In de keuken, en vooral in de tuinen van de Congregatie, heeft hij geploeterd, tot op hoge leeftijd toe. Sjef Roovers, die bij Br. Celestinus jong knechtje was in de tuin van de Kweekschool te Breda, vertelde het kort geleden:” Ik heb bij Br. Celestinus leren werken en bidden”, en voor beide was Sjef, nu bijna vijftig jaar later, nog dankbaar.
Broeder Celestinus was een prettige prater. Zijn grapjes en woordspelingen waren algemeen bekend, maar zijn hoorders kon hij soms ook verrassen met nieuwe vondsten. En als het feest was, voegde hij zijn speechje graag aan die van meer officiële redenaars toe. Beginnen was voor hem gemakkelijker dan ophouden; men moest hem wel eens beduiden dat er nog meer op het program stond.
Het oordeel over elk leven komt God toe; als ook wij soms tot oordelen willen overgaan, wijst Br. Celestinus ons voor zijn geval de weg. Zijn rust, zijn goed humeur en vrolijkheid, zijn grote gelatenheid in de pijn en benauwdheid die de dood voorafgingen, zijn welsprekend genoeg. Als men hem vroeg hoe het er mee was vertelde hij het net alsof hij over een ander aan het praten was, en hij zou niet gemakkelijk vergeten te vermelden hoezeer hij door de Zusters en de verpleegsters van “Huize Catharina” verwend werd.
Klein van gestalte, dapper van gemoed, zo was hij. We kunnen niet anders dan met een zekere vertedering aan hem terugdenken.