IM153 Broeder Wenceslaus Bernardus Adrianus Huybrechts

153 Broeder Wenceslaus Bernardus Adrianus Huybrechts

Geboren te Teteringen : 09-07-1885
Ingetreden : 10-04-1902
Eerste professie : 27-08-1904
Eeuwige professie : 01-09-1906
Overleden te Tilburg : 19-11-1970

De sterke is niet meer. Op zijn 85e jaar werd hij plotseling uit het leven weggeroepen “in de schaduw des doods”. Plotseling, want niemand die hem dinsdag 17 november in fikse pas, rechtop, door Oosterhouts straten zag lopen om “’n paar bodschapkes” te doen, had ook maar kunnen vermoeden, dat deze markante figuur een halve dag later de dood zou vinden bij een noodlottig ongeval.
Nu hij niet meer onder ons is, blijkt pas goed hoezeer hij een stukje Oosterhouts leven was, hoeveel mensen hem kenden als “den ouwen, grijzen broeder”, die zo ver en lang lopen kon(dat moest ie van den dokter), een grote sigaar tussen de vingers in de voormiddag, een klein Willem II-tje voor de korte avondwandeling van een uurtje maar. Hij was de man die op de leeftijd der sterken niet uitgerangeerd was, maar nog een functie had, nog zorgen moest voor allerhande zaken die nodig zijn en die hij alleen kon.

Op hoeveel adressen moest hij niet de rekeningen gaan betalen en artikelen kopen die niemand in een huisgezin ooit missen kan: van schoensmeer en veters tot tandpasta en scheermesjes van Gilette(“dat zijn toch maar de beste”) Ze kenden hem allemaal, de mannen van de post en de politie, de wegen-en de sluizenbouwers, de professor en de plantsoenendienst. En wie in de Katjeskelder kwijt liep kon door hem de goede weg weer vinden, zoals de protestantse buurman uit de straat. Met allen maakte hij een praatje en stelde vragen over de ontwikkeling van de plaatselijke bouw- en uitbreidingsplannen.

De kinderen van de koster, de leverancier van hosties, hielden van hem (“Papa, hij gaat toch zeker niet dood?”) en Mark van de overkant, recht tegenover zijn raam, vertrouwde onder de grote vakantie zijn hond aan zijn goede zorgen toe.
Thuis hielp hij mee bij de opwas, maakte de asbakken schoon en sloot de deuren in de avond, om negen uur, want dat stond vroeger in de regel.

En vroeger, dat was 1904, het jaar van zijn professie, het begin van zijn welbesteed kloosterleven van zorgen voor de jongens en voor de broeders een leven van werken en vooral van bidden, veel en stoer en degelijk. Bij velen is de rozenkrans niet meer in tel, hij kende hem nog en liep er mee heen en weer in tuin of kapel, de handen op de rug. Hij was de stoere degelijkheid in persoon, bestand tegen kou en wind. “’t Is altijd goei weer, Gods weer” en “’t regent wel een beetje, maar ge wordt er nie nat van” waren typische uitspraken van hem. Zijn ramen stonden open voor de frissigheid, hij was ’s morgens de eerste uit de veren om te prevelen uit zijn oude gebedenbeekje.

Toch gingen de kwalen van de ouderdom niet ongemerkt aan hem voorbij: het verzwakkende gezichtsvermogen, de bevende hand, de vergeetachtigheid van gebeurtenissen die nog slechts een korte tijd geleden waren. Menigeen had het voorspeld, dat deze man niet sterven zou, gelegen op een bed, maar buiten op het vrije veld of knielend in de banken van de kloosterkapel. Niemand had verwacht, dat dit voorgevoel zo spoedig bewaarheid zou worden bij hem die zo graag nog zijn 70-jarig professiefeest in Oosterhout had gevierd. Hij was zo graag 100 jaar geworden, immers op de dag van zijn dood had hij zijn Sinterklaassurprise alvast opgegeven: “een sigarenaansteker, maar een goeie die nog minstens 15 jaar mee kon”. Nog zoveel bezoeken had hij af willen leggen bij zijn familie, waar hij er meer van kende dan wie ook van de familie zelf, en aan wie hij zo hechtte: zijn oudste zus van drieënnegentig die hij had willen voorbijstreven, zijn jongste zusje van in de tachtig en dan de vele neven en nichten, tot hij Antwerpen toe, waarvoor hij de Belgische franken had klaar liggen in een aparte oude portemonai.
Het heeft allemaal niet mogen zijn; zijn afscheid werd te vroeg verbroken, zijn twijfel of hij niet naar Huybergen moest gaan, omdat hij vond niet meer zo thuis te horen bij “al die jonge mannen”, is op tragische wijze opgelost.

Zijn wandelen hield hem fit, zijn wandelen werd tevens zijn dood. Het duister en de onverwachte motregen van de gure novemberavond zijn hem noodlottig geworden.
Gelukkig heeft hij zijn dood niet meer bewust beleefd. Hij zou gevochten hebben met de dood. Nu is hij rustig ingeslapen en verblijft hij “in een oase van groen”, waar hij kan wandelen langs de “Seterse Strek der hemelen”.
Moge hij rustig voort wandelen in de Heer voor eeuwig.

Br. Karel