IM161 Broeder Majella – Antonius Hendrikus Wijnhoven

161 Broeder Majella – Antonius Hendrikus Wijnhoven

Geboren te Maasbree : 23-03-1889
Ingetreden : 16-07-1917
Eerste Professie : 22-12-1918
Eeuwige Professie : 22-01-1922
Overleden te Bergen op Zoom : 31-10-1972

Functie: kleermaker.
Was al gepensioneerd de laatste jaren maar bleef toch nog het kleermakersvak beoefenen en deed zo nog zeer veel goed werk voor de Broeders, die hem daar zeer dankbaar voor waren.

In het tijdschrift “Leer en leven” heeft Br. Clemens een memoriam over Er. Majella geschreven, dat we hier in zijn geheel overnemen.

” Broeder Thomas de Bie, die in tegenstelling tot zijn patroon een groot geloof bezat, en dit op onverwachte ogenblikken door even onverwachte bijbelspreuken wist te belijden, zou ons zeker niet tegengesproken hebben, als we beweerd hadden dat het de Heer was die Broeder Majella tot het kloosterleven had uitgenodigd. Maar zichzelf beschouwde hij toch graag als een bescheiden medewerker van die roeping. Want Antoon wijnhoven, als soldaat tijdens de wereldoorlog I in Ste Marie ingekwartierd, had dáár de Broeders van Huijbergen leren kennen, en aan Thomas was de zorg voor de koffie van de kantine toevertrouwd, benevens de andere contact en van het klooster met de Nederlandse weermacht. U ziet dus. Broeder Thomas was in zijn tijd al – hij is ruim dertig jaar geleden gestorven – trots op het geestelijk vaderschap over een dergelijke zoon.

Broeder Majella kreeg in het begin van zijn kloosterleven te kampen met een hevig en langdurig heimwee naar zijn familie en zijn Limburgse land. Hij droeg dat met een glimlach, en zijn medenovicen – waartoe ook schrijver dezes behoort – hadden er amper weet van. Het zou tegen zijn stijl zijn geweest in later jaren kleurige verhalen over deze heldenstrijd op te dissen. Maar hij heeft toch wel eens verteld dat het koffer voor de thuisreis gereed had gestaan.

Een andere beproeving voor hem was een hevig slaapgevoel onder de talrijke “geestelijke oefeningen”. Dit kon hij voor zijn omgeving niet verbergen.
Op het zangkoor van de kapel van Ste Marie, dat meteen bidkoor voor de Broeders was, zat hij kaarsrecht geknield in de bank. Maar hij knikkebolde, en als hij tenslotte ging staan, gebeurde het toch nog dat hij na enige tijd met een plotselinge schok uit zijn loomheid ontwaakte. Wij konden in deze met hem meeleven, want ook voor ons was de nacht heel vroeg in de morgen afgelopen, maar onze schermutselingen waren kinderspel tegenover dit dagelijks terugkerende gevecht, waarin Broeder Majella, dat stond voor ons vast, van geen wijken wist.
Misschien is ook het verschil in leeftijd met die van zijn medenovicen hem een kruis geweest. De man die al een beetje wijsheid en levenservaring uit de wereld had meegebracht, zal zich tussen ons wel ooit gevoeld hebben als te midden van een troepje jonge en wat eigenwijze honden. Maar dat heeft hij ons, voor zover ik me herinner, nooit laten voelen.

Broeder Archangelus heeft me dezer dagen de bezittingen van Br. Majella overhandigd, uitgezonderd natuurlijk het zorgvuldig bewaarde kostuum, dat voor de schaarse bezoekdagen was gereserveerd, en het horloge, dat alleen op reis – dat is een of twee dagen in het jaar – werd gedragen.
De schatten opgeborgen in een margarinedoos, zijn gauw bekeken.
Enkele vrome prentjes, wat jubileum-gedichten – o.a. een ballade van de hand van Br. Vitus – twee of drie verjaardagslijsten, op het kartonnen schutblad van een blocnote geschreven, een paar brieven, het “Bewijs van ontslag uit de dienst bij de landweer” van het Koninkrijk der Nederlanden, een klein, geschonden en met gips bijgesmeerd porseleinen Mariabeeldje, en een “smokkelboekje”. Hiermee hebben we het wel ongeveer gehad. Deze nalatenschap kan als een symbool beschouwd worden van het verborgen leven dat Broeder Majella heeft geleid.
Dat smokkelboekje vraagt misschien een toelichting. Onder wereldoorlog II moest ieder klooster wel, enigszins buiten de wet om, zijn voedselvoorraad aanvullen.

Broeder Majella was beducht dat hij voor dat karwei zou worden uitgekozen. Hij zou dat erg hebben gevonden, zo heeft hij me zelf verteld toen het smokkelen al verleden tijd was geworden. Maar het lot viel op Jonas en Br. Majella aanvaardde de opdracht als de gewoonste zaak van de wereld. Eerst telkens vóór het vertrek een kort gebed, geknield op de communiebank. En dan er op uit. Hij bewaarde tegenover de boeren het decorum dat hem eigen was, en voor zo en zoveel kilo geleverde of gekregen tarwe en rogge liet hij – na de goedkeuring van Br. Overste te hebben gekregen – een H. Mis lezen.

De boeren mochten hem wel, ik veronderstel dat ze in hem een heilige meenden te ontvangen, zoals die in de oudere biografie voorkwamen.
Er zouden trouwens bij een eventuele herdruk van “Rodrigquez” aan de overgeleverde tekst best een paar instructieve verhaaltjes toegevoegd kunnen worden, die op Majella betrekking hadden. Zoals dat van de tarweleverancier, die op zijn vraag om het gebed van de Broeder voor een goede oogst te horen kreeg, dat dat de boer zijn eigen taak was.

Op de binnenzijde van de kaft van zijn notitieboekje beschreef hij de capaciteit van zijn verpakkingsmiddelen: ” In de falies gaat in 23 K.G. tarwe of Rog en 25 K.G. erwten of bonen. In Acte tas van Br. Romualdus gaat in 10 K.G. tarwe of Rog en 12 K.G. erwten of bonen”.
En de titel bovenaan op de eerste bladzijde luidde:” Adressen van Smokkelen”.
Daar Verschenen ze dan: Lepelstraat met Luiks, Bogers, Ackermans, Gabriëls, Van den Einde, Kommers en vele anderen, en Steenbergen, Wouw, Halsteren, Moerstraten, Nieuw Vossemeer, Hoogerheide, Huijbergen, Woensdrecht, Bergen op Zoom, Tholen, al of niet met bijbehorende gehuchten. Majella praat in dat boekje over de oogst van 1941 die de boeren nog gedeeltelijk in voorraad hadden toen dat smokkelen begon, en de oogst van 1942. Als hij 1943 schrijft, begint hij de nummering van de bladzijden opnieuw; de bladen van 1944 zijn niet meer vol gekomen. Hij legt ook totaal staten aan en het blijkt dat hij ook het tijdelijk succursaal te Halsteren en een enkele keer de Broeders van Oosterhout in de buit liet delen.

Als er voor een paar dagen een controleur op het bureau zat, die smokkelaars-om-den-brode niet van zwarthandelaars wist te onderscheiden, kwam er van bevriende zijde een tip. Dan hoefde hij er niet op uit en was er ook geen gevaar dat hij languit in de natte klei viel, zoals hem wel eens is overkomen. Maar dat staat niet in het smokkelboekje te lezen.

Van “St. Jozef zorg” heb ik niets in zijn nalatenschap gevonden. Dat verwondert me wel want de redactie van dat vrome blad heeft hij met zijn briefjes overstelpt. Als hij een gunst – ook van tijdelijke aard – wilde verkrijgen voor een van zijn dierbaren, werd St. Jozef aangesproken, en “St. Jozef zorg” kreeg het verzoek om mee te helpen. Het is gebeurd dat de redacteur aan Broeder Overste van Ste Marie schreef, of hij de ijver van de Broeder asjeblief wilde matigen; het was niet om bij te houden.

In de overlijdensannonce van Broeder Majella hebben we kunnen lezen dat zijn religieuze leven welbesteed is geweest, en met wat hiervoor is gezegd bedoelen we hetzelfde. De dood van iemand die ons nabij is, is als van zelf een aanleiding om de balans van zijn leven op te maken. Ik geloof dat deze hebbelijkheid niet alleen uit ongepaste bemoeizucht voortkomt, hoewel we weten dat Gods wegen niet de onze zijn.
Bij het sterven van een dierbare zijn we persoonlijk betrokken. De tijd, die voor de overledene is afgesloten zonder mogelijkheid tot terugkeer, loopt ook voor ons ten einde. Maar we zijn nog doende; we leven nog. En zo gemakkelijk trachten we te weten te komen, naar aanleiding van wat de dode is geweest, hoe we zelf zouden moeten zijn.

Ik moet bekennen dat Broeder Majella soms vragen bij mij heeft opgeroepen, vooral in de laatste drie jaren waarin hij aan tafel mijn overbuur was. Als hij dag aan dag aan het ontbijt verscheen met een afwezige blik- bij de andere maaltijden was het enigszins anders- was het wel volkomen duidelijk dat dit geen verstoord humeur aanduidde. Maar toch kwam ooit de onweerstaanbare echo bij mij omhoog, van teksten die ik met instemming had gelezen. Zoals bijvoorbeeld: “Sinds God de Zoon mens is geworden,is er niets zo christelijk als met ons mens-zijn ernst te maken. En dergelijke. Misschien was die gemoedswelling ongerecht, want was het niet mogelijk dat Broeder Majella zich in toenemende mate minder wel voelde, óf dat hij zo vroeg in de morgen eenvoudig niets kon vinden dat de moeite waard was, daar hij geen kranten en geen boeken las? Bovendien had hij in de deugd van làten-praten niet onaanzienlijk vorderingen gemaakt.

Nu hij gestorven is hebben mijn vragen hun actualiteit verloren, althans voor zover het hem betreft. Voor mezelf acht ik me niet ontheven van de opdracht om voort te gaan goede teksten te lezen en te proberen ze in praktijk te brengen. Maar zijn zwijgen als dat onjuist geweest zou zijn, valt eenvoudig weg tegenover de eigenschappen die tot zijn wezen behoren. Voor een mens die bad als hij; die mij nooit een onheus woord heeft toegevoegd en dit waarschijnlijk niemand heeft gedaan; bij wie je naam- en die van alle mensen absoluut veilig was; die pas gelukkig was als hij anderen blij kon maken door niet te tellen diensten; en die dat alles deed met een onverstoorbare gelijkmoedigheid en in grote deemoed,kan ik alleen maar bewondering hebben.

Br. Clemens.