IM162 Broeder Timotheus Antonius Johannes Jozef Haest

162 Broeder Timotheus Antonius Johannes Jozef Haest

Geboren te Nieuw-Gastel : 27-09-1905
Ingetreden : 28-06-1924
Eerste professie : 12-01-1926
Eeuwige Professie : 17-08-1929
Overleden te Breda : 23-11-1972

Reeds geruime tijd geleden heeft de redactie van Leer en Leven mij gevraagd, onze overleden broeder Timotheus in haar blad te herdenken. Ik heb er veel en dikwijls over nagedacht, maar wat weerhoudt mij om enkele herinneringen betreffende deze aimabele religieus aan het papier toe te vertrouwen? Ik ben tot de bevinding gekomen, dat wanneer je de schijnwerper op zijn persoon moet richten, je hem nu precies datgene aandoet wat hem het moest tegenstond. Hij was een stille werker die nooit op de voorgrond trad en dit ook zeer bewust niet wilde. Hij schuwde alle publiciteit. Wanneer ik mij nu toch waag, een beschrijving te geven van deze Huijbergse broeder en overweeg, waardoor dit leven speciaal gekenmerkt werd, springen er twee eigenschappen naar voren: dienstbaarheid en ascese. Dienstbaar was hij van ‘s morgens vroeg tot ’s avonds laat, van zondagmorgen tot zaterdagavond, van januari tot december. En hiervan is geen letter overdreven.

Hij oefende deze dienstbaarheid uit op het vlak van allerlei eenvoudige zaken, die voor het goed functioneren van een school en voor het geregeld verloop van een convent verricht moeten worden.
Het gaat over verschaffen van leermiddelen, verzorgen van bibliotheek, kaften van boeken, oppruimen van klassen, bijhouden van verwarming; repareren van fietsbanden, verzorgen van een onoverzienbare hoeveelheid stencilwerk.
Het gaat over het verrichten van allerlei kleine zaken in een convent, over het bewijzen van kleine diensten, over het verzorgen van werkzaamheden, die in een mannenhuishouding zo gemakkelijk over het hoofd gezien worden. Waarom laten wij ze zo dikwijls na? Omdat ze even vragen eigen zorgen los te laten. Wat eist het dus van iemand, die zich voortdurend daarmee bezighoudt?
Een voortdurend wegcijferen van eigen behoefte en verlangens, terugdringen van aandacht voor het persoonlijke verzorging en ontspanning.
Het betekent: een voortdurende ascese.
Wanneer men dit alles overdenkt wordt men er toch wel wat stil van, temeer als men daarbij verdisconteert, dat zijn lichamelijke conditie alles behalve rooskleurig was. Wie weet, wat hij in stilte heeft geleden? Wie kan meten, wat hij heeft moeten verwerken?
We zagen hem zienderogen vermageren. Hij wuifde elke vorm van medelijden weg: “’t Gaat weer wel over”, en slechts op herhaald aandringen heeft hij zich bij de dokter aangemeld.
Zelf was hij ervan overtuigd, dat toen deze hulp niet meer mocht baten. Enige, later bekend geworden, uitingen wijzen er op dat hij er zich goed van bewust was dat het einde naderde.
Deze beschrijving betreft zijn laatste levensperiode. Maar we weten, dat zijn leven daarvóór getekend werd door dezelfde dienstvaardigheid en opofferingsgezindheid. Alleen was toen de kring, waarin hij deze eigenschappen toepaste, wat ruimer. Denk aan zijn buitenschoolse activiteiten voor het welzijn van Jeka, zijn muzikale hulp voor de verzorging van kerkdiensten bij de Katechisten of in parochiekerken. Is de opsomming van zijn werkzaamheden volledig? Ik dacht, dat dit onmogelijk was. Maar ze kan een beeld geven van de manier, waarop Br. Timotheus zijn actief religieus leven gestalte gaf.
Mag men zich wagen aan het zoeken van een motivering? Was het slechts een natuurlijke aanleg voor dienstbaarheid~ een natuurlijke drang om persoonlijke zorgen weg te dringen? In hoever zou dit door aanleg of mentaliteit te verklaren geweest zijn?

Als we dan huiveren om door te stoten naar de diepste grond van deze levensinzet, dan komt dit alweer omdat dit zo in strijd lijkt met zijn eigen opvattingen. Hij sprak er nooit over; hij deed het.
Toch ben ik ervan overtuigd, dat deze levenswijze juist de vorm was waarin hij zijn religieuze overtuiging gestalte wilde geven. Ondanks alle drukke bezigheden verzorgde hij zijn gebedsleven met een bewonderenswaardige accuratesse. Tot de laatste dag van zijn leven was hij present in alle oefeningen. Het verband ligt voor de hand en ik aarzel niet hem een volmaakt religieus te noemen. Wie maakt uit, of hij dit in de oude of in de nieuwe betekenis van het woord verstaan moet worden? Was hij gelukkig met de vernieuwingen? In geen geval was het een man van discussies, groepsgesprekken of vormen van inspraak. Ik geloof niet, dat hij i.z. behoudensgezindheid of vooruitstrevendheid stelling genomen had: hij had z’n weg gevonden, hij wist wat hij doen moest en hij deed het, zonder zichzelf te sparen. Hij was de religieus, die wij allen nog moeten proberen te zijn.
Hij wilde dit zijn, en vond daardoor zeer ongewild de gelegenheid om voor ons allen model te zijn. We missen hem zeer, we zijn hem dankbaar, we vergeten hem niet en we zijn ervan overtuigd, dat hij door zijn goed voorbeeld in ons midden blijft voortleven.

Br. Marcellus.