170 Broeder Nicasius Speekenbrink
Geboren te Dongen : 04-05-1893
Ingetreden : 02-09-1922
Eeuwige Professie : 28-08-1927
Overleden te Huijbergen: 12-07-1974
Toen onze vriend Louis Damen niet lang geleden zijn zilveren jubileum vierde als gemeenteraadslid van Huijbergen, maakte het dagblad “De Stem” een mooie foto van hem, tot illustratie van een waarderend artikel. Op de foto stond o.a. ook burgemeester Van Agtmaal met ambtsketen en al. Maar degene die in het centrum van de gekiekte groep aan Louis de hand reikte was Broeder Nicasius. Het plaatje had omwille van hem geschoten kunnen zijn. Het wordt dan ook gebruikt om hem in het album van de overledenen van onze congregatie in ‘pia memoriam’ te doen voortleven. Deze keuze lijkt me juist omdat Broeder Nicasius zich op de foto zo levend en welgelijkend presenteert. Maar ook omdat hij daar gesnapt is op een moment waarop hij contact had met de mensen.
Het beeld is typerend voor hem. Want zijn vrienden en bekenden waren legio. Ik denk dat hij zijn religieuze attributen, zonder daar misschien zelf erg in te hebben, wel gebruikte om tot de mensen toegang te vinden. Het kruisje op de revers en de priesterboord verlenen in bepaalde kring nog een introductie, die de gewone leek niet zo maar bezit. Maar als Nicasius aan het praten ging maakte de beleefde vriendelijkheid van gastheer en gastvrouw al gauw plaats voor echte belangstelling en werd hij aanvaard.
Hij kon trouwens over de dingen die de mensen in de wereld vermoedelijk meer bezig houden dan ons met enige ervaring meespreken. Want hij had als zelfstandig bakker zijn brood verdiend vóór hij zich meldde aan de kloosterpoort. En hem met een glimlach door hem soms aangehaalde feit, dat hij vóór zijn intrede in de congregatie eerst concrete andere plannen had, die hij tot verdriet van de “tegenpartij” tenslotte grondig wijzigde, gaf aan zijn meningen en uitspraken een zekere achtergrond.
Dat praten van hem was meer dan een gewone gave. Ik meen me te herinneren dat al gemerkt te hebben toen ik hem pas leerde kennen; maar in zijn laatste levensjaar, toen ik zijn kamerbuur werd in de gang naar de broederskapel, heb ik het nog eens extra ervaren. Hij kende toen wel moeilijke dagen. De kamer moeten houden en zelfs overdag te bed moeten blijven was niets voor hem, maar het bevel van de dokter was duidelijk. Als je hem dan opzocht, sloeg zijn welsprekendheid los. Je hoefde bij hem niet bang te zijn voor momenten waarop je, ondanks alle interesse en sympathie, een beetje gegeneerd zit te bedenken wat je nu nog eens zult zeggen. Hij leidde het gesprek en boeide je. En zijn eerlijke mededelingen over het niet-naar-wens-gaan werden toch geen jeremiades. Ik vind dat hij het kruis van zijn ziek-zijn manmoedig heeft gedragen.
We weten overigens dat hij niet altijd even gemakkelijk was. Hij had moeite zich tot het rustiger tempo van anderen te dwingen. En dan knarsten de kamraderen wel eens. Want hij had gewoonlijk nogal haast. Haast om bijvoorbeeld zijn werk af te maken – zonder evenwel daarbij te willen beunhazen. Of haast om de lange herstelperiode na een oogoperatie te bekorten. Daarvan zou Broeder Archangelus kunnen getuigen. En haast om bij zijn “Onze Vader” aan tafel het “Amen” te bereiken. Maar dat was stellig alleen maar schijn.
We zouden hem onrecht doen door hem voor te stellen als zonder begrip voor zijn medebroeders. Hij kon in deze zelfs beduchtheden hebben, waar een ander nog zonder zorgen was. Had het harde aflopen van zijn wekker de buurman niet uit zijn slaap gehaald? Of had deze geen last gehad van het vroege functioneren van de waterkraan?
Zijn temperament heeft hij tenslotte niet hoeven te verloochenen in de definitieve opgang naar zijn Heer. Na de schok die zijn plotselinge dood veroorzaakte, ontstond er óók nog enige verlegenheid over de vraag hoe men zijn talrijke vrienden zou kunnen achterhalen, die bericht van zijn overlijden moesten ontvangen. Maar daarin bleek hij zelf te hebben voorzien. De grote agenda waarin hij nauwkeurig boek hield omtrent zijn verrichtingen als zelateur voor het missiewerk “Sint Antonius” van de Paters van de H. Familie, bevatte ook een lijst van de vrienden met wie hij in contact was gebleven. Dat ze niet nog in talrijker gelederen bij zijn Uitvaart aanwezig waren is zeker toe te schrijven aan de omstandigheid dat het vakantie was. Velen zullen in het buitenland zijn geweest. Maar allen bewaren stellig aan hem de herinnering als van een mens die met anderen meeleefde; die een attentie wist te bewijzen; die een verjaardag niet vergat; die een uitgesproken stijl van handelen had; en die zijn religieus-zijn nooit verloochende.
Dat we in dit “In Memoriam” heel erg aan de oppervlakte zijn gebleven, moge de lezer ons vergeven. Het is eigenlijk, zoals zeker al eens meer is opgemerkt in een dergelijk artikel, een onmogelijke onderneming om tot de diepte van iemands innerlijk te willen doordringen. Bovendien was het verzoek van de redactie alleen om “iets om het bidprentje van Broeder Nicasius heen te schrijven”, of met andere woorden, zijn beeld met wat groen te omkransen.
Br. Clemens.