174 Broeder Emilius van Dongen
Geboren te Oosterhout : 08-06-1889
Ingetreden : 03-10-1907
Eeuwige professie : 16-05-1312
Overleden te Huijbergen : 16-03-1975
Het Was laat in de avond van 15 maart, dat Broeder Archangelus me kwam zeggen, dat Br. Emilius het niet zo best maakte en dat hij de dokter toch maar het liefst even liet komen. Ook moderator Testers was al gewaarschuwd, om in geval dit wenselijk bleek, het Sacrament der Zieken toe te dienen.
De dokter was zeer spoedig gekomen en die zag het zo maar donker in. In een heel gemoedelijk praatje met de patiënt, probeerde hij hem op de hoogte te brengen van de toestand en gaf het advies, ook al gezien de hoge leeftijd, om een priester te laten komen voor de toediening van het H. Oliesel. Binnen de tijd van een half uur speelde zich dit allemaal af en het was zeer goed merkbaar dat Br.Emilius veel rustiger was geworden.
Al langere tijd ging het niet zo best met Br.Emilius. Een griepperiode kwam hij maar niet te boven; hij zag er bleek en vermoeid uit en ofschoon het eten wat beter begon te smaken, het echte was het niet.
In deze periode heeft hij heel wat te verwerken gekregen. Hij hing immers aan het leven en menig oudere broeder benijdde hem, in de vele mogelijkheden die er voor hem nog waren om echt te genieten van zijn oude dag. Graag nam hij deel aan de fotoclub en lachend zei men dikwijls: “Mieleke gaat weer naar de cursus”.
De meest gewenste manier van reizen was met de bus. Met een dagkaart kon hij heel ver komen en dat het lang duurde was voor hem geen bezwaar. In zijn tas met fotomateriaal, iets wat altijd meeging, want hij hield ervan om mooie langschappen te fotograferen, zat ook altijd zijn getijdenboek, en een kleine uitgave van het Nieuwe Testament. sMorgens om kwart voor acht vertrok hij dan al met de bus en kwam savonds terug met de bus van half negen.
Voor de regelmatig terugkerende clubavonden van de fotoclub in Breda bleef hij overnachten in een van onze huizen in Breda en nam dan tevens de gelegenheid om oud-leerlingen van het St.-Willibrordushuis te bezoeken of een van zijn vele vrienden relaties. De laatste tijd was hij gauw moe en zelfs moest hij enkele
keren verstek laten gaan, voor het maken van dias van de versiering in de grote kapel bij de wekelijkse jongerendiensten. “Het wordt knudde”, zei hij soms.
Ook de fiets bleef de laatste tijd onaangeroerd en een poging om met het gemotoriseerde invalide wagentje rond te gaan rijden mislukte omdat zijn reactievermogen niet snel genoeg meer was en zijn gezichtsvermogen sterk achteruit ging. Dit alles heeft hem heel wat gekost; voor het grootste gedeelte heeft hij dit persoonlijk moeten verwerken; zo nu en dan kwam wat er in hem omging even in een gesprek naar boven.
“Ik probeer nog zoveel mogelijk in beweging te blijven, want als ik hier op de kamer moet blijven zitten, dan ga ik dood. Een jaar geleden ging hij nog op de fiets naar de Wildert in België om ook voor anderen de pas uitgekomen nieuwe postzegels op te halen, maar de laatste maanden moest het met de auto.
Van het aanbod om met enkele oudere broeders szondags eens te gaan toeren met de auto, door enkele van onze broeders chauffeurs maakte hij graag gebruik, want hij moest er op tijd zo eens uit.
En zo heeft hij gevochten voor het leven.
De laatste maanden was hij geregeld onder controle bij zijn huisarts, maar ook bij doktoren in het ziekenhuis “Lievensberg” te Bergen op Zoom. Uitspraken als: “Ik zal het verder met Br. Archangelus wel bespreken, of langs uw huisarts krijgt u wel bericht”, daar had hij het niet op. “Dat ze me maar precies zeggen waar het op staat, dat heb ik veel liever”, zei hij menig keer.
Er was geconstateerd dat hij leed aan bloedarmoede en daarvoor zou een onderzoek plaatsvinden op vrijdag 14 maart. Daags te voren moest hij een flesje wonderolie innemen en toen hij op die bewuste vrijdag was geholpen, was hij ontzettend moe en zei: “Dit is te veel geweest.”
En weer kwam de vraag: “Waarom hebben ze dat niet eerder gezegd, dat er iets niet in orde is?” In die nacht van zaterdag op zondag werden soortgelijke vragen menig keer gericht aan het adres van de broeder die bleef waken.
Ondanks dat er van alles werd geprobeerd kon hij niet in slaap komen. Hij bleef het liefst op zijn eigen kamer en het werd een nacht van, dan weer op bed, dan weer in de stoel.
Regelmatig informeerde hij hoe laat het was. Pijn had hij gelukkig niet.
Tot de volgende morgen was alles geregeld; met drieën zouden we waken, want we wilden hem niet meer alleen laten.
Veel viel er niet te doen, maar er was dan toch iemand bij hem.
Hij had er ook geen bezwaar in dat we bij hem bleven ofschoon hij toch even liet doorschemeren, dat hij zoiets al eens meer gehad had en dan was er toch ook niemand bij.
De volgende morgen heb ik hem de vraag gesteld of hij graag had dat de familie uit Helmond eens over kwam. Dat zou hij wel fijn vinden. Dus een neef opgebeld en hem telefonisch op de, hoogte gebracht van de toestand. De familie kwam en terwijl Emilius in zijn stoel zat, want in bed kreeg je hem niet meer, hebben
zij, die neef met zijn vrouw, een hele tijd zo maar bij hem gezeten, en zo nu en dan was er nog een echt gesprek.
Er werd dan nog gepraat over de gezellige dagen die hij dikwijls bij hen had doorgebracht en over de vele fotos die ze samen hadden gemaakt. Van slapen kwam ook nu niets.
Op die dag heeft hij zes aanvallen gehad, en wel zo dat je dacht: het is afgelopen. Het werd nu een duidelijk aflopend geval.
Verschillende broeders kwamen eens even binnenlopen, en die kende hij nog goed. Tot het laatst is hij bij bewustzijn gebleven.
Alleen bij zo een aanval dan wist hij niets meer. Dat duurde zo een paar minuten de adem stokte en heel langzaam kwam er weer opnieuw leven in.
Als hij weer was bijgekomen en je zijn pols pakte, keek hij je vragend aan alsof hij wilde zeggen: “voel je de pols weer slaan?” Opvallend was wel dat hij ondanks die vele aanvallen zo rustig bleef.
Bij de aanval rond kwart voor zes ’s avonds, Br. Evaristus was erbij, werd wel heel duidelijk dat het niet lang meer kon duren. Terwijl de broeders aan tafel waren belde Br. Evaristus en zodoende hebben Br. Archangelus en ondergetekende de laatste momenten nog meegemaakt.
Al diverse keren hadden we de gebeden van de stervenden gebeden en ook broeder Robrecht was vol zorg geweest om deze zieke bij te staan. Broeder Emilius was overleden na een zeer kort ziekbed. Een van onze goede oude broeders was weer heengegaan.
Hij had zelf een blaadje waarop stond vermeld op welke plaatsen en functies hij werkzaam was geweest als broeder van de congregatie van Huijbergen. Zo lezen we:
Van 4 okt. 1907 tot 6 jan.1914 Ste Marie te Huijbergen, schilder.
Van 6 jan. 1914 tot nov.1918 St. Willibrordus te Breda, portier.
Van nov. 1918 tot fbr.1919 Karrestraat te Breda, portier.
Van fbr. 1919 tot 15 dec.1920 St. Willibrordus te Breda, kok en koster
Van 15 dec. 1920 tot okt. 1922 Bergen op Zoom wezenvader en kok.
Van okt. 1922 tot okt. 1926 St. Willibrordus tb Breda . ,. . surveillant.
Van okt. 1926 tot febr. 1927 Ste. Marie te Huijbergen, schilder.
Van 1927 tot apr. 1934 Kweekschool te Breda, surveillant.
Van apr. 1934 tot aug. 1935 St. Willibrordus te Breda, surveillant
Van aug. 1935 tot aug. 1937 Kweekschool te Breda surveillant
Van aug. 1937 tot aug. 1939 St. Willibrordus te Breda, contactpersoon met pupillen die
buiten het huis waren geplaatst
Van aug. 1939 tot aug. 1945 Kweekschool te Breda, surveillant
Van aug. 1945 tot juli 1959 St. Willibrordus te Breda, weer de buitendienst
Van juli 1959 tot mrt. 1960 Heylaar te Breda, contact oud-pupillen
Van mrt 1960 tot . . Ste Marie te Huijbergen, econoom
Van tot Ste Marie te Huijbergen, emeritaat
De verplaatsingen konden in die tijd zeer vlot gaan.
Br. Emilius had in 1907 in Breda aan de ambachtschool het getuigschrift behaald voor schilderen en handtekenonderwijs. Diploma Cursus B voor kinderbescherming werd hem uitgereikt te Nijmegen op 26 juni 1941. Verder heeft hij nog lessen gevolgd in handenarbeid met zeer goede punten op het examen in Eindhoven op 27 juli 1943.
Heel lange tijd is Br. Emilius werkzaam geweest op het St. Willibrordushuis te Breda.
Het werk onder deze kinderen lag hem zeer goed en op latere leeftijd had hij nog veelvuldige contacten met oud-pupillen. Het was voor hem dan ook een groot offer dat dit mooie werk werd stopgezet. De R.K. Vereniging voor Kinderbescherming van het Bisdom Breda was al langere tijd bezig om een andere vorm te zoeken. De beslissing kwam in 1959 en doordat het Willibrordushuis verkocht werd kon het werk in de vorm waarin er tot heden toe gewerkt was niet blijven voortbestaan.
De broeders vertrokken naar Heylaar en op kleine schaal werd het werk nog voortgezet, om spoedig helemaal te stoppen.
Dat hem dit veel gekost heeft, blijkt uit een bidprentje wat hij tussen zijn papieren had liggen:
Ter gedachtenis aan
onze dierbare Willy Brordus – Huis
Plotseling overleden op 12 – 3 – 1959
in de gezegende ouderdom van 52 jaar.
Beste Willy , wij danken U Voor de lekkere boterhammen, sigaren en cigaretten die wij allemaal van U gekregen hebben. Uw nagedachtenis zal ons steeds tot zegen strekken. Mijn dierbaren die achterblijven “treur niet”.
Ik dank U voor de prettige samenwerking en alle goeds samen tot stand gebracht. Ik dank vooral allen die meegewerkt hebben aan mijn geruisloos overlijden.