IM175 Br. Polycarpus Hubertus Bos

175 Br. Polycarpus Hubertus Bos

Geboren te Breda : 16-07-1890
Ingetreden : 10-09-1907
Eerste Professie : 01-01-1910
Eeuwige Professie : 01-01-1911
Overleden te Bergen op Zoom : 17-04-1975

Wie zich ziet geplaatst tegenover de opdracht om een In Memoriam te schrijven van een medebroeder ervaart bijna altijd een gevoel van onmacht. Het geldt zeker in dit geval, nu we proberen het leven van Br. Polycarpus toe overzien. Ga eens het leven beschrijven van een mens die niet alleen 84 jaar oud is geworden, maar die bovendien in zijn 65 jaar kloosterleven een veelheid aan bedieningen heeft vervuld. Wil men al die jaren van dienst aan, God en de medemens een beetje recht doen wedervaren”, dan moet zo een in memoriam door meerdere broeders geschreven worden: broeders die hem langer kennen en die hem ook in andere· huizen hebben gekend. Ik kan alleen maar vertellen over de dertien jaar dat ik hem heb gekend in het St.Jansklooster. In die dertien jaar genoot hij al lang van zijn welverdiende rust. Hij was tenminste officieel met emeritaat! Maar Br. Polycarpus dacht er blijkbaar anders over, net zoals zijn vroegere directeur op het juvenaat, die, als de grote vakantie naderde” altijd placht op te merken: “Denk erom, Onze Lieve Heer geeft nooit vakantie!” Voor Poly was zijn emeritaat ook geen tijd van dolce far niente. Het was in ieder geval geen tijd van rust in zijn betrekking tot God. Hij was een vurige en niet zuinige bidder. En, alsof hij met bidden niet kon of wilde volstaan, hij zorgde ook nog voor de kosterij. Tot op 84 jarige leeftijd. Poly was een echte bidziel. Maar niet met de bijgedachte van: hij kon niets anders meer, hij deed het uit gebrek aan bezigheid. Nee, Poly beschouwde het bidden niet als een manier om de tijd te doden. Hij maakte hierover nooit opmerkingen, maar wie hem zag bidden en daarbij bedacht wat voor andere dingen hij ook nog deed, zal inzien dat het bidden voor hem een levensnoodzaak was, iets waarvan hij wist waarvoor het diende en waar hij met harten ziel achterstond.
Die andere activiteiten van Br. Polycarpus waren onder andere, zoals al eerder opgemerkt, zijn kosterij. Met recht kun je zeggen tot in de kleinste bijzonderheden. En vaak beter dan de vele priesters die bij ons in het Sint Jansklooster de diensten leidden. Poly wist alles van wanneer je wel en niet wierook moest gebruiken. Hij wist ook precies hoe. de Goede Weekdiensten moesten verlopen. Hij was grondig thuis in de liturgie en liturgische gebruiken. En alles wat er in de eredienst gebeurde was dan ook altijd tot in de puntjes verzorgd. Je kunt haast wel zeggen: Poly was pijnlijk nauwkeurig. Want hij kon het niet erg appreciëren als anderen er een beetje een slag naar sloegen. De degelijkheid waarmee hij te werk ging valt ook te beluisteren in de uitdrukking die hij altijd bezigde wanneer hij sprak over het instrueren Van zijn misdienaars; hij had het dan altijd over het “africhten” van zijn jongens. Maar de misdienaars wisten dan ook precies wat ze moesten doen en wat je niet altijd van elke priester kon zeggen, kon je wel van de misdienaars zeggen: ze maakten nooit fouten. Maar denk niet dat Br. Polycarpus als een soort potentaat de jongens tiranniseerde! Hij was gek op “zijn” jongens en ook de jongens hadden het graag met Poly te doen. Poly was waarschijnlijk niet altijd een gemakkelijke, maar als je bedenkt dat de misdienaars indertijd rond een uur of zeven, winter en zomer, paraat waren om in de broederskapel de mis te dienen, dan kun je veilig aannemen dat ze Poly hoog hadden staan. Trouwens, toen de laatste misdienaar allang verhuisd was, of door het volgen van voortgezet onderwijsniet langer bij ons “in functie” kon blijven, schreven ze hem nog regelmatig of kwamen eens langs. Als er een trouwde, kwam er steevast een uitnodiging naar Poly, of hij erbij wilde zijn. Een van zijn laatste misdienaars is zelfs in onze eigen kapel getrouwd, onder het toeziend oog van Polycarpus. In de· sacristie hingen indertijd een serie fotos waarop Poly te midden van zijn discipelen troont. Hij heeft er nogal wat gehad, zo te zien. en de meeste zijn jarenlang in dienst gebleven. Poly beloonde ze dan ook onder andere met een uitstapje. Ik herinner me, dat hij eens met ze naar het jeugdcircus in Haaren is geweest. Poly is zijn misdienaars nooit vergeten, en de meeste hebben hem ook niet vergeten. Het is duidelijk dat het kosterschap voor Polycarpus een roeping binnen een roeping was. Maar Bro Polycarpus had meer pijlen op zijn boog. Behalve het bidden en werken in de kosterij had hij ook andere bezigheden om de dag door te komen. Deze bezigheden hadden meer het karakter van vrije-tijdsbesteding. Een zeer geliefde bezigheid was het wandelen.
Br. Polycarpus was een geboren Bredanaar, die erg aan zijn geboorteplaats hechtte. Vaak genoeg werd er van vele kanten bij hem op gewezen, vooral in tijden dat hij fysiek wat minder goed in orde was, dat hij in Huijbergen alles kon vinden wat hij nodig had. Maar geloof maar niet dat Poly zijn stad Breda voorgoed in de steek liet. Hij ging verschillende jaren wel eens in Huijbergen overwinteren, zoals U in de kronieken van het Sint Jansklooster kunt lezen, maar steevast kwam dan ook weer in deze kolommen de lenteboodschap: “Poly is weer terug, in Breda”. Want zolang hij kon lopen, liep hij, maar dan wel bij voorkeur in Breda. Hij wist zo ongeveer wat er in heel Breda omging aan verbouwingen, sloop en nieuwbouw aan huizen, wegen en straten. Aan tafel kon je altijd van hem te weten komen hoe ver men was met de Kennedybrug, de bouw van de suikersilo, het nieuwe station en wat er allemaal niet meer in Breda gebouwd werd. Werd er in de binnenstad weer eens een winkel verbouwd, hij wist het te melden. Poly hield gewoon veel van Breda en hij voelde het als, een normale zaak als je bijhield wat er met je stad gebeurde. Maar ook het wandelen zelf was voor hem een ontspanning. Misschien had hij d&t nog over van zijn tijd dat hij met de jongens van het Willibrordushuis op stap ging. Daar vertelde hij graag over. En misschien – wie weet- beleefde hij tijdens zijn wandelingen weer die uren dat hij met “zijn” kinderen op stap was. Ik zeg “zijn” kinderen, niet omdat Poly de gewoonte had alles waarmee hij omging als zijn privé-eigendom te beschouwen, maar gewoon omdat Polycarpus uit de volheid van zijn vriendelijke en goede hart zich helemaal voor zijn kinderen,inzette. Hij vereenzelvigde zich ermee en vanuit die houding sprak hij in alle natuurlijkheid over “zijn” kinderen. Hij kon vele tientallen jaren later nog over elk kind apart praten alsof hij pas de dag tevoren afscheid van ze had genomen. Hij kwam op zijn wandelingen nog wel eens een enkele keer een oud-pupil tegen en het feit dat ze elkaar meteen herkenden, hoewel niet altijd de juiste naam meteen te binnen wilde schieten, illustreert duidelijk hoezeer Polycarpus altijd vervuld was van zijn kinderen. Niet alleen vonden de misdienaars en pupillen van het Wilibrordushuis een plaats in zijn grote hart, ook andere mensen waarmee hij in aanraking kwam konden een blijvende indruk op hem maken en die mensen zou hij dan van zijn leven niet meer vergeten en hij zou hen altijd met attenties blijven “achtervolgen”. Hij schuwde vaak het ongemak van een reis op latere leeftijd niet om oude bekenden op te zoeken. Verschillende van de verpleegsters uit het Laurensziekenhuis, die zijn genegenheid hadden verworven door de liefdevolle verzorging die ze hem tijdens zijn lange ziekte in 1970 gaven, bleef hij tot zijn laatste levensdag herinneren. Hij schreef hen met hun verjaardag, en als het uitkwam, zocht hij ze ook wel eens op. En bij zijn verjaardag en jubilea kreeg hij dan ook prompt de meest hartelijke gelukwensen toegestuurd. Iets wat niet elke patiënt meemaakt wanneer hij alweer jaren uit het ziekenhuis is. Een andere grote liefhebberij, die hij zijn hele leven heeft gekend, is de muziek. In de tijd dat hij nog werkzaam was aan het Willibrordushuis in Breda had hij uit de kinderen die daar verbleven een koor geformeerd, dat er zijn mocht en dat vaak lovende woorden oogstte in LEER EN LEVEN. Zoals met alles wat Poly ondernam, was hij er met hart en ziel aan verknocht. Het is te begrijpen dat het zijn gevoelige natuur: pijn deed, als hij meende dat hij werd tekortgedaan of als er werkelijk sprake was van onbegrip en na-ijver in zijn omgeving. Tegenover zulke ervaringen was hij volkomen weerloos. Hij was er niet tegen opgewassen en negatieve en pijnlijke momenten uit zijn leven bleven hem levenslang bij en konden hem vele. tientallen jaren later nog de tranen in de ogen drijven.
Op latere leeftijd kon Polycarpus zijn muzikale aspiraties botvieren door veel naar muziek te luisteren. Hij kreeg een stereoplatenspeler en op gezette tijden kon je hem dan naar Spronk zien stappen alwaar hij probeerde die muziek te vinden, welke hem aansprak. Hij werd bij Spronk een goede bekende en vele componisten werden voor Poly een goed bekende. Tekenend voor de ordelievendheid van Poly is dat hij niet te hooi en te gras platen draaide, maar dat hij daar een aparte tijd voor uittrok.
sMiddags als al het werk gedaan was, als hij zijn wandeling in Breda had verricht en de koffie gedronken had met zijn medebroeders, toog hij naar zijn kamertje en onderging hij het niet te beschrijven genot van een goed stuk muziek.
Een andere tijdspassering was voor Poly de T.V. s Avonds was hij altijd present en de lange uren van de avond werden gevuld met het kijken naar wat de beeldbuis bood aan quizzen, films, operas en dergelijke meer. Maar Poly was geen slaafse kijker, die helemaal opging in het kijken, als iemand naast hem ging zitten die graag een woordje wilde wisselen, dan kon je bij Poly terecht, en dat kun je niet van iedere T.V.-kijker zeggen.
Poly heeft in zijn lange leven veel gelukkige momenten gekend. Geluk was voor hem identiek met belangstelling voor hem en zijn werk. Hij was volkomen gelukkig en tevreden als hij ervaarde dat hij er ook bijhoorde en als men hem in alles betrok. Hij vond het ontzettend vervelend als aan tafel alle gesprekken buiten hem omgingen. Hij wilde er echt bijhoren. En hij kon er echt bij blijven horen. Want Poly was in feite een oersterk€ mens. Hij bleef tot zijn 84ste levensjaar volop in actie. Pas in februari begon het definitieve slijtageproces door te zetten.
Hij ging toen naar Huijbergen en weer later naar Bergen op Zoom, om daar in het ziekenhuis Lievensberg de verzorging te krijgen die hij nodig had. Daar heeft hij een leven afgesloten dat lang en rijk aan verdiensten was. Een leven dat hij grotendeels aan God heeft toegewijd en dat zich heeft voltrokken, zij het niet altijd volgens zijn eigen stille dromen, maar in ieder geval in volle onderwerping aan de wil van Hem die hij als norm voor zijn leven had gesteld. Zijn liefste wens, onderwijzer te worden, is nooit in vervulling gegaan. Dat heeft voor hem een geweldig offer betekend. Maar de toewijding die hij in een andere vorm aan de jeugd heeft betoon~ doet verwachten dat ook zijn deugd zal beloond worden zoals het in het boek der Wijsheid staat beschreven:

“Want God was het die hen beproefde en
hem Zijner waardig bevond;
Als goud in de smeltoven heeft Hij hem beproefd.