IM188 Br. Jezualdus ( Jacobus Godefridus Snelders )

188 Br. Jezualdus ( Jacobus Godefridus Snelders )

Geboren te Breda : 27-02-1913
Ingetreden : 24-01-1932
Eerste professie : 19-03-1934
Eeuwige professie : 10-03-1937
Overleden te Breda : 07-12-1977

Zaterdag, 10 december was voor Breda een bijzondere dag.
Twee menen bepaalden duidelijk het doen en denken van vele mensen. Voor een grote groep mensen in en rond, Breda bepaalde de komst en het verblijf Van Roger Schütz, prior van Taizé het buitengewone, het inspirerende van hun doen en laten.
Voor een kleinere groep mensen was die zaterdag de dag” dat ze afscheid nemen van Br. Jezualdus, broeder van Huijbergen. Deze uitdrukkelijke vermelding “Broeder van Huijbergen” komt niet per toeval uit de pen gevloeid.
Het is ook geen overbodige toevoeging, ook al weet iedereen dat Br. Jezualdus lid van de Congregatie van Huijbergen is geweest. Waar dit dan toch uitdrukkelijk vermeld? Omdat ik van mening ben dat Br. Jezualdus een volmaakte broeder van Huijbergen was. Ik weet wel, dat het woord “volmaakt” een erg groot en zwaar geladen woord is, en dat het eigenlijk niet toegepast kan worden op iets van menselijke proporties. En ik weet zeker dat Br. Jezualdus zelf nooit het woord volmaakt op zich zelf van toepassing zou achten en dat hij mild maar nadrukkelijk zou protesteren als een ander hem deze kwalificatie zou toekennen.
Nu, nu Br. Jezualdus is overleden, wil ik dit woord toch gebruiken om zijn broeder-zijn te kwalificeren. Ik heb hem samen genoemd met Roger Schütz van Taizé; ik zou hem ook samen willen noemen met de “Leefregel van de broeders van Huijbergen”.

Br. Jezualdus was de tot leven gekomen leefregel. Dit beeld moet niet de indruk wekken dat hij een dorre, slaafse mens was, die zich liet leven. Integendeel: hij was een Dan die, ondanks het verstrijken der jaren, een grote beweeglijkheid van geest behield. Zijn stiptheid in het beleven van de regel was niet een eerbied voor de wet als instituut, maar ontstond uit een diep besef van de inspiratie die in de leefregel schuilt en uit een eerbied voor de geest die tot het ontstaan van deze regel heeft geleid.
Het boekje “Leefregel” is de grafische neerslag van een samensmelting van tientallen jaren kloostertraditie, evangelische inspiratie, praktische overwegingen, bewogenheid en idealisme. Het tracht te verwoorden wat de samenstellers voor ogen stond toen zij trachtten aan te geven, hoe een leven in dienst van God en medemens behoort te zijn. Br. Jezualdus nu is er een levend model van. Hij vertaalde al deze in woorden gevatte gedachten in daden. Van Br. Jezualdus kun je moeilijk nog neer, maar ook niet minder zeggen. Wie wil weten wat voor een mens en broeder hij was, neme de leefregel ter hand en leze. In iedere regel vind je broeder Jezualdus terug.

Om het leven van Br. Jezualdus te kunnen beschrijven moet je een kunstenaar zijn: zo één van die Vlaamse Primitieven of van die Hollandse schilders van de Gouden Eeuw, die schilderijen maakten waarop je elk detail van de werkelijkheid terugvindt. Of je moet een moderne kunstenaar zijn, die met enkele spaarzame, maar zeer raak geplaatste lijnen, vlakken en kleuren toch heel het wezen en de karakteristiek van hun onderwerp kunnen weergeven. Ik bezit geen van beide gave Ik kan naar enkele steentjes voor een mozaïek aandragen. Ieder die Br. Jezualdus gekend heeft kan daar weer zijn eigen steentje aan bijdragen en het beeld, voor” zichzelf (en voor anderen), invullen.

Iets over zijn levensloop.

Jac Snelders werd in1913 in Breda geboren. Hij is er evenwel niet getogen. Jac is een getogen Oosterhouter. Zijne eerste levensjaren en zijn lagere schooljaren zullen een veel bevlogen tijd geweest zijn. Zijn moeder is drie keer getrouwd geweest. In zijn familie komen de namen Snelders,Mutsaerts en van Steenhoven voor. Zijn ouders hadden een café. Jac zei wel eens van zichzelf, dat hij in het café geboren was, en om het nog preciezer te lokaliseren, op het biljard. Van het laatste heeft hij in ieder geval een behoorlijke biljartvaardigheid overgehouden. Van het eerste waarschijnlijk zijn afkeer ven sterke drank; koffie en sinas waren zijn vaste dranken, en als het wat deftiger was jus d‘orange. Biljarten heeft hij in die tijd dat ik hem ken in het Sint Jansklooster niet zo gek veel gedaan. Maar als hij eens bezweek voor de verleiding en een keu ter hand nam, herkende je, aan de zekerheid van zijn gebaren en de voortreffelijke stokvoering meteen de meer dan gemiddeld geschoolde hand. En dat, terwijl hij op andere gebieden niet bepaald handig was. Hij zei vaak van zichzelf, dat hij twee linkse handen had. Die linkshandigheid bleek dan toch niet bij het biljarten. Evenmin bleek linkshandigheid – in overdrachtelijke zin dan – in zijn omgang met de mensen, of ze nu oud of jong waren, normaal of minder begaafd. Waarschijnlijk dankte hij deze vlotte omgangsstijl behalve, aan zijn uitgesproken beminnelijke karakter ook wel aan zijn jeugdjaren in het cafebedrijf. Cafe s zijn altijd trefpunten van het sociale gebeuren geweest.
Jac gaf op een gegeven ogenblik zeer tegen de verwachting van zijn ouders (en zeker van zijn moeder) in de wens te kennen om broeder te worden. Eerlijk gezegd was dit voor moeder een tegenvaller. Die had haar oudste zoon in haar toekomstdromen al het café over zien nemen.
Voor Jac was de keuze zeker niet gemakkelijk. Aan de ene kant lokte hem het ideaal om broeder te worden, van de andere kant besefte hij goed dat zijn moeder haar verwachtingen de bodem zag ingeslagen en Jac had zijn moeder erg hoog staan. Maar roeping is iets dat je niet tegenhoudt. Jac ging naar Huijbergen. In januari van het jaar 1934 trad Jac in bij de broeders van Huijbergen. Deze keuze werd definitief uitgesproken op de dag van de eeuwige Professie op 10 maart 1957. In die tussenliggende jaren zijn er heel wat twijfels overwonnen moeten worden. Aan de ene kant de gedachte dat zijn moeder hem, slechts node kon missen en aan de andere kant gedachte, twijfel of hij wel geschikt was om broeder te worden. Een twijfel die sommige superieuren op sommige momenten ook gehad hebben en tegen hem uitspraken. Men had Jac in zijn voorbereidingstijd wel eens voor de muziek uit zien lopen (ik meen ter gelegenheid van een kermis, of althans een gebeuren van uitgesproken profane aard) met attributen die meer een wereldse dan een ingetogen en religieuze sfeer illustreerden. Maar ondanks deze en andere ervaringen ging Jac door. Jac nam de naam Jezualdus aan. Maar zelfs toen hij eenmaal ingelijfd was in de toen bloeiende congregatie van Huijbergen, kon nog niet direct gezegd worden dat hij zijn “streken” verloren had. Jongere broeders, die hem niet kennen van enkele jaren terug, zullen zich moeilijk voor kunnen stellen dat Br. Jezualdus vroeger zo een vrije vogel was. Zelf herinner ik me alleen vagelijk smakelijk vertelde verhalen wanneer hij samen met Br. Alfonso “jeugdherinneringen” zat op te halen over het jeugdwerk dat beiden verrichtten toen ze samen op de kweekschool woonden. Dan kwamen ze samen s avonds pas thuis als de broeders al naar bed waren (dat was toentertijd nog niet eens zo gek laat) en dan gingen ze eerst nog eens uitgebreid op de treden van de trap zitten nakaarten over de belevenissen van de dag.

Jezualdus dacht graag terug aan die jaren van het “wilde, vrije 1even”. Maar hij Sprak er ook wel eens een lichte verbazing over uit,dat hij toen zo was: hij zal zelf ook gemerkt hebben dat hij wel wat serieuzer was geworden. Na de kweekschoolopleiding volgde zijn aanstelling als onderwijzer aan de school voor buitengewoon Lager onderwijs voor jongens. Dit was in 1934. Dit werk zou hij doen tot 1951.
In dat jaar werd hij overste van het St. Willibrordushuis, het gesticht zoals het ook wel genoemd werd. In dit huis verbleven voogdijkinderen; Ook hier weer had Jezualdus dus volop kans om zijn beste krachten te geven aan kinderen die minder goed bedeeld waren door het leven. En dat hij de belangen van deze kinderen door dik en dun behartigde en verdedigde is algemeen bekend. Hij kon soms hard en onverbiddelijk op zijn standpunt, blijven staan, wanneer door al te egoïstische en op materieel voordeel beluste ouders aan de deur van het Willibrordushuis kwamen om “hun kind” weer mee te nemen, dat was dan meestal tegen de leeftijd dat ze konden gaan werken. Dat soort mensen was bij br. Jezualdus aan het verkeerde adres. Dat waren daar 3 zeer drukke en inspannende jaren. Familie, die hem daar wel eens kwam opzoeken, vertelde dat hij de hele dag door geen minuut rust had, zelfs niet onder het eten.

In 1954 verrees in het Heuvelkwartier te Breda een nieuw klooster, het Sint Jansklooster. Br. Jezualdus werd daar de eerste overste. Meteen kon hij weer zijn eerste liefde opvatten; hij werd weer benoemd als onderwijzer aan de St. Janschool voor buitengewoon lager onderwijs.
In de jaren 50 bestond in de congregatie van Huijbergen de (goede) gewoonte zeer regelmatig broeders van werkkring en woonplaats te laten verwisselen. In die jaren kreeg Jezualdus ook zijn portie verplaatsingen. Na 3 jaar werk aan de Sint Janschool werd hij leraar pedagogiek aan de St. Franciscuskweekschool in Breda.
In de eerste jaren van zijn onderwijzersloopbaan had Br. Jezualdus al de nodige getuigschriften en diploma’s bij elkaar gestudeerd. Hij studeerde voor het getuigschrift spreekonderwijs, hij haalde dat in november 1938. In 1939 behaalde hij de L.O.-akte handenarbeid nodig om een vaste aanstelling in het buitengewoon, onderwijs te kunnen krijgen. In mei 1941 volgde het getuigschrift Voor lichamelijke opvoeding en in dezelfde maand van dat jaar 1941 ook nog eens het getuigschrift voor Buitengewoon Lager Onderwijs aan de Leergangen te Tilburg.
De broeders waren toentertijd zeer studiegezind en Jezualdus bleef daarin niet achter. Nog steeds in 1941 haalde hij in juli ook nog ,het diploma spraakleraar. Het rijtje diploma’s wordt in 1946 bekroond net een middelbare akte Pedagogiek A. Studie zin was hem dus niet vreemd en het valt op dat zijn studierichting erg praktisch georiënteerd was en gericht op de behoeften van de leerlingen in het buitengewoon onderwijs.
Het is niet te verbazen dat hij met zijn akte Pedagogiek M.O. en zijn rijke ervaring in het dagelijkse onderwijswerk leraar aan de kweekschool werd. Op die kweekschool heb ik ook tot zijn leerlingen behoord en van zijn lessen is me altijd bijgebleven dat hij zeer plastisch te werk ging. Hij illustreerde praktisch elke alinea uit de vrij dorre theorieboeken voor pedagogiek rijkelijk met voorbeelden “uit hét volle leven gegrepen”. Opvallend vond ik ook altijd dat hij tijdens zijn lessen zich bediende van een licht, naar onmiskenbaar Bredaas of Oosterhouts dialect. Terwijl hij buiten de klas altijd onberispelijk Algemeen Beschaafd sprak. Mogelijk een staaltje van een theoretisch didactische regel ook daadwerkelijk toepassen: “verplaats je in de wereld van je leerlingen en spreek hun taal. Ook viel het op dat hij een onmogelijk handschrift had en dat hij continu zijn bril op en af zette, alsof hij zijn ogen niet kon geloven, als hij weer een volzin uit, het theorieboek had voorgelezen.

Jezualdus, las tegelijk een idealistische en realistische leraar. Ik heb er veel van geleerd, blijkt achteraf. Zelfs als leerling viel me zijn diepe godsdienstigheid op. Deze indruk van echte vroomheid is later alleen maar sterker geworden. Jezualdus was een man Gods, een “religieus, levend uit God en levend voor God. En deze levenshouding: droeg hij over op wie met hem te maken had, leerling, huisgenoot, collega.
Het is waarschijnlijk om dit overtuigde en, overtuigende religieus zijn, dat het Hoofdbestuur van de congregatie hem voor een viertal jaren de zorg en de begeleiding van de jonge religieuzen toevertrouwde. Het betrof hier de broeders tussen hun noviciaat en hun eeuwige professie, de scholastieken.
Waarschijnlijk zal, Jezualdus toen gemerkt hebben dat er in, de groep scholastieken toch weer een andere generatie religieuzen toefde en dat beider golflengten niet altijd op elkaar afgestemd waren. Wat iedereen van deze periode hem zal willen meegeven is dat hij deze verplichting uiterst serieus en nauwgezet is nagekomen. Was misschien de stijl niet voor iedereen meer navolgbaar, toch zeker wel de inzet en de overtuiging waarmee hij het religieus ideaal beleefde.
Illustratief. voor zijn godsdienstigheid is zeker ook zijn verbondenheid met de Focolare, een groep mensen die wat radicaler zijn met het toepassen van het Evangelie in concrete, daden. Het is een groep met de mentaliteit van de eerste, Christengemeenschappen. In deze sfeer voelde Jezualdus zich als een vis in het water.

Ook opvallend voor hem was zijn grote soberheid. Hij was uitgesproken streng voor zichzelf. Het was bidden en werken. Eten? Nou ja, vooruit, dat ook dan maar. Ontelbaar zijn de dagen dat hij smiddags niet aan tafel kwam en gewoon op school bleef. ‘s Morgens een sneetje of twee, ‘s avonds een paar boterhammen, maar warm eten schoot er vaak bij in.
“Ik geef niet zo om warm eten”, zei hij dan, als je hem daar eens een opmerking over maakte.
Maar de vaste gebedsoefeningen sloeg hij nooit over. Met bidden nam hij altijd dubbele porties. Als hij na lange werkdagen dan eindelijk thuis kwam ging hij steevast eerst naar de kapel. Ook ’s avonds laat kon je hem daar vaak aantreffen Deze mens leefde niet van brood alleen.

Even spreekwoordelijk als zijn godsvrucht was zijn tomeloze inzet voor de mens die hij in zijn werk en in andere contacten ontmoette. Zolang ik Jezualdus ken is hij al bestuurslid van de oudervereniging “Het Zorgenkind” geweest. Dit hield in dat hij zeer vele vergaderingen bijwoonde. Maar daarnaast interesseerde hij zich vooral in het welzijn van de geestelijk gehandicapten. Jezualdus ging mee met hun reisjes en maakte zich verdienstelijk als begeleider: hij ging met plezier met hen om en behandelde en benaderde ze respectvol als volwaardige mensen. Op hun jaarlijkse Carnavalsvieringen kon je de stille en bescheiden Jezualdus volop bezig zien, hand in hand met deze kinderen en ouderen,zingend, hossend, pratend, spelend, luisterend en lachend. Hij was een met hen, één van hen, zonder aan waardigheid in te boeten of “een figuur te slaan”. Integendeel!
Maar hij wel een hekel aan had, was, aan vergaderingen waarin,door ondeskundigheid en zelfgenoegzaamheid de werkelijke belangen van deze zorgenkinderen in het gedrang kwamen. Dé1l1 was hij niet bescheiden en rustig, maar legde hij de vinger op de wonde.

Toch zal niemand van Br. Jezualdus kunnen zeggen: dat hij het respect voor wie dan ook uit het oog verloor. Hij bleef tactvol en wist wanneer hij de tijd noest nemen om inzichten bij anderen te laten rijpen. Hij drong geen eigen meningen op, al was hij van zijn eigen gelijk overtuigd,wanneer hij merkte dat anderen er nog niet rijp voor waren. Als hoofd van de school was hij onderwijsvernieuwing van harte toegedaan. Maar -soms zeer tot ongenoegen van wat meer ongeduldige strevers – vaak liet hij zaken rusten tot iedereen innerlijk ook vrede had met de door hem voorgestelde en uitgestippelde beleidslijn.
Hij kon het zo fijn spelen dat men vaak het gevoel had bijna zelf met de plannen voor, de dag te zijn gekomen, maar als je dan goed nadacht, herinnerde je je dat hij al meer dan een jaar eerder dergelijke zaken had aangekaart.

Zo heeft Er. Jezualdus het ook klaargespeeld om het haast onmogelijke te presteren: namelijk Er. Joachim in toewijding en geliefdheid te evenaren.
De eerste jaren op de St. Janschool zullen voor hen niet gemakkelijk geweest zijn. Onwillekeurig vergelijk je het nieuwe hoofd Det het vorige, en Br. Joachim had een gouden standaard gesteld. Maar Jezualdus heeft heI1 glansrijk geëvenaard.
Jezualdus is op zijn eigen wijze een tweede Joachim geworden. Hierdoor kreeg hij de sympathie van zijn collega’s, het vertrouwen van de ouders en de aanhankelijkheid van de kinderen. Jezualdus heeft nooit onderscheidingen gekregen: hij is een van de vele paarden die de haver die ze verdienen niet krijgen. Hij zou deze haver trouwens net zo vrolijk laten staan als zijn warme eten. Maar de eretekenen, de onderscheidingen die hij heeft vergaard en verdiend lopen rond in Breda en omstreken; het zijn de collega’s die het geluk hebben gehad net hen te mogen samenwerken, het zijn de ouders die hem erg dankbaar zijnen het zijn de kinderen wier leven hij Deer perspectief en diepte heeft gegeven.

Br. Jezualdus had vele plannen voor de tijd dat hij Det pensioen zou gaan. Hij voelde veel voor sociaalcharitatief werk. Maar het zou blijken dat een mens met al zijn grootsheid en goedheid toch niet zelf zijn levensweg bepaalt. Hij krijgt het leven van God en als zijn tijd gekomen is, moet hij het Heer teruggeven aan God.
Die tijd van teruggeven kwam voor Jezualdus op woensdag 7 december. Daarvoor heeft hij moeilijke tijden meegemaakt. Maar omdat hij nooit klaagde, zal men amper beseffen wat hij in werkelijkheid heeft geleden. Zijn einde kwam toch nog vrij plotseling we mogen het als een genade aan hen geschonken beschouwen het heeft hen veel leed bespaard. Jezualdus had geen vagevuur op aarde nodig. Hij, die voor velen een stukje hemel op aarde had gebracht, was zelf klaar voor de hemel.

Wij leven verder met dankbare herinneringen aan zijn goedheid en in de zekerheid dat hij thuis is bij God en dat hij daar zijn voltooiing heeft gekregen. Hij zal daar ongetwijfeld een voorspraak zijn voor zijn familie, die hij op handen droeg en voor zijn zorgenkinderen waarvoor hij zijn leven inzette.

Jac, Jezualdus, bedankt voor wie je was voor ons allemaal.

br. Theo Eijkhoudt.