IM189 Broeder David (Jan Roelofszen)

189 Broeder David (Jan Roelofszen)

Geboren te Amsterdam : 22 – 06 – 1918
Eerste Professie : 15 – 08 – 1939
Eeuwige Professie : 15 – 08 – 1942
Overleden te Breda : 08 – 02 – 1978

Telkens Wanneer ik me op het begin van dit in-memoriam bezin, valt mijn schrijfdrift stil. Mogelijk komt het omdat ik er meestal in de late uurtjes pas aan toe kom, en dan is de energie niet meer zo overvloedig aanwezig. Maar eerder nog geloof ik, als ik er eens goed over nadenk, dat deze remming meer te maken heeft met Br. David en zijn overlijden.
Hij was nog maar pas een paar maanden in ons midden als huisgenoot. Nadat hij voor zijn definitieve intrek in het Sint Jansklooster al een paar keer aan was komen wippen om alvast wat “spullen” te brengen en aanwijzingen te geven voor eventuele inrichting van zijn kamer, betrok hij toch zijn nieuwe onderkomen in het begin van de herfst 1977. Waar ik ook zocht, ik kon nergens een notitie vinden, waar de officiële datum van verhuizen staat aangegeven. Hij is van vaste bezoeker in de zomermaanden, ongemerkt een inwoner van ons convent geworden. En ook al ken je hem dan pas een gering aantal maanden, het lijkt alsof we hem al jaren kennen. Je zou zijn overkomst naar ons convent kunnen vergelijken met een legpuzzel, waar een stukje aangelegd wordt. Het stukje was gewoon voorbestemd om op die plaats in het geheel ingevoegd te worden. De lijnen sluiten precies, de kleuren kloppen én het is het juiste stukje op de juiste plaats. Het moest daar gewoon liggen. Zo moest Br. David vroeg of laat blijkbaar toch bij ons terecht komen, het bleek dat dit voor hem de plaats naar zijn hart was Hij paste bij ons, wij pasten bij hem.

Zelf heeft hij dat nooit zo uitdrukkelijk geformuleerd. Maar waar wel heel goed uit bleek, dat hij zich bij ons thuis voelde, was de manier waarop hij met ons en wij met hem omgingen. Vanaf het begin wist hij van ieder zo een beetje zijn eigenaardigheden, hij wist precies wat je tegen ieder kon zeggen om hem eens lekker op te jutten, zonder hem echt van zijn stuk te brengen. Hij kon plagen als de beste, hij kon evengoed incasseren: meer nog, hij genoot daarvan. Hij daagde graag uit: hij wilde weten waar je stond. Kwam je met hem in een echt gesprek, dan moest je niet aankomen met gemeenplaatsen, want dan kon je aan hem merken, dat hij deze wel doorzag en er geen vrede mee had, maar dat hij dieper wilde graven. In die paar maanden bleek zijn veelzijdige belangstelling. Deze rijk geschakeerde aandacht voor de wereld om hen heen dichtbij en veraf, niet alleen in kilometers uitgedrukt, maar ook veraf in geestelijk opzicht bleek nog sterker tijdens het inventariseren van zijn nalatenschap. Ontelbare boeken over de verscheidenste onderwerpen. Niet alleen boeken over zijn vak: scheikunde en natuurkunde, niet alleen publicaties over zijn tweede “vak” voor de buitenschoolse uren, de sportwereld, maar boeken over reizen, religieuze en maatschappelijke verschijnselen. Opvallend in deze veelheid van lectuur was het aantal titels dat rechtstreeks met de mens te maken had. Leven was voor Br. David: mensen ontmoeten. Ontmoeten was voor David: contacten leggen en aanhouden, zich verdiepen in de ander. Daardoor was hij dan ook zo geliefd bij alle mensen met wie hij in aanraking kwam. Treffend was het om te constateren dat op de dag van de begrafenis zijn grote vriend uit zijn Duitse vakantieadres aanwezig was. Onze notities zullen beperkt moeten blijven tot een indruk van zijn persoonlijkheid, zoals hij zoals hij die aan ons demonstreerde in, die paar maanden dat hij bij ons woonde. Wat mij ook erg opviel, was de moed die hij had, om ondanks zijn erg hinderlijke ziekte, astmatische bronchitis, met misschien wel longemfyseem ook, zo relativerend over zijn ongemakken te praten. Ik kan me niet voorstellen dat iemand die naar adem staat te snakken, of erg nadrukkelijk staat te hijgen, zich erg happy voelt. En als je dan ook maar één lichtelijk ongeruste blik op hem werpt staat hij meteen klaar om te zeggen dat het allemaal niets voorstelt.
“Ik ben kort”, zei hij dan, “maar dat hindert niet. Daar ben ik allang aan gewend”. En dat wij er ook welaan zouden wennen, dat stond voor hem wel vast. Welnu, we hebben geen tijd gehad om er daadwerkelijk aan te leren wennen.
In de vroege ochtend van Aswoensdag tussen half vijf en kwart voor vijf, nam Br. David afscheid van het leven en noesten wij afscheid nemen van Br. David, die in die korte tijd dat hij bij ons woonde al een plaats in ons hart had veroverd.
Nu moeten we het doen met een foto op een kast en de herinneringen aan zijn steken onder water, zijn opjutterijtjes en zijn soms erg luidruchtige ademhaling. Vanuit Amstelveen, de plaats waar hij was vóór hij naar Breda kwam, ontvingen we van de hand van Br. Alfred een overzicht over enkele van zijn vele activiteiten.

Br. David werd geboren in Amsterdam, 22 juni 1918.
Elk mensenleven is boeiend. Elk mensenleven is waard volledig te worden beschreven, bewaard en aan het nageslacht doorgegeven te worden, zowel het leven van de onopvallende als dat van degene die meer is opgevallen door welke gegevens of omstandigheden dan ook. En wie zegt dat een leven onopvallend verloopt?
Wie maakt uit dat een leven gekenmerkt wordt door wel opvallende gebeurtenissen? Is die beoordeling ook niet afhankelijk van degenen die er zich mee bezig houden, die op een of andere manier dat leven hebben meegemaakt? En zoveel zielen, zoveel zinnen. Wanneer dus uit een pen een overzicht vloeit, zal dat getooid zijn met de inzichten van de man die het schrijft. Het wordt een van de vele gezichtshoeken van waaruit een leven bekeken wordt.
Achter de naam gaat een man schuil die op een paar maanden na de zestig jaren heeft mogen bereiken. Iedereen die Br, David gekend heeft zal getuigen dat het een bewogen leven is geweest. De jongste zo niet een van de jongsten in een Amsterdams gezin. Hij was een z.g. late roeping en ging in 1935 naar de Kweek. in Breda waar hij in 1938 de akte 77a haalde.

In september 1939 kwam hij als onderwijzer van bijstand in de Poststraat te Breda. Br. Beatus troonde de
toekomstige onderwijzers tijdens de pedagogieklessen mee naar het lokaal van Br. David (eerste klas) om daar (aanschouwelijk als Beatus te werk wilde gaan) te laten zien hoe een eerste klas van de lagere school geordend moest zijn; boekjes in rechte rijen precies op de plank in de kast, rijen leeswoordjes in keurige letters op het bord. En juist op deze school, in deze periode komt er (volgens eigen woorden van Br. David) een ommekeer in deze zo keurige opstelling; een broeder-collega van die school haalde de jonge novice uit het vastraken in kleine beuzelarijen; niet lang daarna smeet hij om vier uur de boekjes in de kast, gooide een borstel naar het bord en verdween om zich aan andere dingen te gaan wijden. Onder andere zijn hoofdaktestudie die hij in september 1945 haalde.
Toen was ook de eerste lagere-school-periode achter de rug en werd hij benoemd aan de MULO in de Karrestraat (1945). Hier heeft hij tien jaar gewerkt en ongetwijfeld is dit een van de mooiste periodes geweest van zijn leven. Hij studeerde wiskunde, haalde in 1951 het diploma Natuurkunde en Biologie in het z.g. MULO-verband en besteedde
vooral aandacht aan het zangkoortje (De Uielewalen) en de sport. Hij werd een fervent medewerker naast Br. Arsenius en Br. Timotheus bij JEKA waar hij wel zijn hart verpandde. Zo hij al niet ir. de jaren dat hij op de lagere school werkte de gave had met wie dan ook contacten te leggen (zijn Amsterdamse afkomst, zijn late roeping en zijn eigen inborst zullen,daar ook wel debet aan zijn) de Karrestraat-periode met de voetbalbeweging bracht hem er toe uit te Zwerven en te “praten” met zowel Chareltje Stuhlmeyer (is de naam wel goed geschreven?) bij wie hij een hekwerk voor zijn nieuw aangekocht Jeka-terrein wegsleepte als met de Abdis van Catarinadal in Oosterhout die hij weer nodig had voor grondaankoop voor hetzelfde voetbalveld. Ook met de gevangenisdirecteur en met de gevangenen, de jeugd van het West-eind. Hij vergeleek, zij het niet opzettelijk zo uitgesproken – deze ver om zich heen reikende relatie- aanknopingen met zijn zich in alle windhoeken verspreidende familie: neven en nichten trouwen en trouwden met natuurlijk Nederlanders maar ook met Marokkanen en Ieren. In 1955 werd hij hoofd van de Dr. Struijkenstraat wat hem met de problemen van het West-eind confronteerde.

Van 1957 tot 1960 was hij overste en hoofd der school in Hulst.
Heeft het kleinstedelijke en dorpse er toe bijgedragen dat hij maar drie jaar in Hulst was en twee in Haaren (van 60 tot 62)?? In ieder geval was hij in 1962 in Amstelveen en daar is hij de langste tijd van zijn leven geweest: dertien jaar aan dezelfde school en daarna nog een jaar in Haarlem en een jaar van ziekte, grotendeels in het ziekenhuis of de Klokkenberg.
Het schoolwerk – alleen de klas, het korte -stukje lopen tussen huis en school, de betrekkelijke beslotenheid die dit met zich meebrengt – paste niet bij de aard van Br. David. Hij wilde zijn vleugels verder uit te slaan. Het begon met het uitpluizen van zijn familie stamboom. Purmerend bleek de bakermat van de familie en menig oud vrouwtje is door hem uitgehoord over alles wat zij van vroeger wist. Zo is hij ver doorgedrongen in het verleden en ongetwijfeld zullen er nog wel aantekeningen tussen zijn paperassen te vinden zijn over die bevindingen.
Tot hij op een goede dag gevraagd werd voor het werk van de N.K.S. de Nederlandse Katholieke Sportfederatie. Hij werd secretaris van de sportleidercursussen die in Noord-Holland georganiseerd moesten worden. Cursisten moesten zich bij hem melden; hij moest voor geschikte docenten zorgen en de examens organiseren. En dat niet alleen ter plaatse, maar door heel de kop van Noord-Holland. Het gedeelte boven het Noordzeekanaal kende hij als zijn eigen broekzak. Vroeg je hem daar een fietsrally te organiseren dan kreeg je het neusje van de zalm. Hij had een fenomenaal geheugen voor alles wat met routes te maken had. In het Limburgse, de Achterhoek, Twente en Overijssel: overal was hij thuis (dat dateert ook nog wel uit de tijd van de oude Mulo-examens die de broedersexaminatoren in de gelegenheid stelde om een veertien dagen hun tenten ver van eigen. domicilie op te slaan in bevriende kloosters overal in den lande.

De jeugdkampen van de N.K.S. brachten hem ook in Duitsland bij de Moezel, waar hij de wijn heeft leren kennen. Sinds heeft hij een tiental jaren de vakanties alleen in Duitsland doorgebracht.
Net zoals hij bij al zijn omzwervingen door alle windstreken precies wist waar hij was en niet verdwaalde, zo hield hij ook bij al zijn relaties met allerlei soorten mensen een juiste koers in het oog die hij ongetwijfeld heeft overgehouden van zijn vorming in zijn jonge jaren. Het klooster was zijn basis. Soms had het de schijn, dat hij sterk afwijkende meningen had; hij bracht dan alleen maar een visie in het gesprek die hij buiten had opgedaan en die hij door ieder die er naar luisteren wilde, liet toetsen aan eigen opvattingen: bv. druggebruik, de gang van zaken in het kerkgebeuren van de afgelopen tien jaren, de veranderende opvattingen omtrent huwelijk en gezinsleven.
Zijn interesse voor mensen, maar ook voor alles wat met religiositeit te maken heeft, deed hem besluiten gehoor te geven aan het verzoek vanuit het Bisdom Breda om een “deel van zijn aandacht en tijd” te investeren in de St. Gummarus-parochie te Steenbergen. Pastoor Nieuwlaat, zelf een hartpatiënt, zou in Br. David een zeer belangrijke assistent krijgen. Br. David had al enkele kennismakingsbezoeken afgelegd en zou in de week dat hij overleed daadwerkelijk beginnen. Het was van hem een moedig besluit, want in die dagen was hij lichamelijk verre van in een goede conditie. En ook moreel zat hij nog wel eens te dubben over de belasting welke dit werk voor hem zou gaan betekenen. Maar hij hoopte, dat zijn lichamelijke ongemakken, van kortstondige aard zouden zijn en dat hij dan gauw met elan aan dit boeiende werk kon beginnen. De Pastoor Nieuwlaat was diep geschokt toen hij van het overlijden hoorde. Het betekende zeer veel, voor hem, dat Br. David naar hem toe zou komen. Het heeft niet zo mogen zijn.
Br. Alfred
Br. Th. Eijkhoudt.