IM193 Br. Andreas Theodorus Josephus Compiet

193 Br. Andreas Theodorus Josephus Compiet

Geboren te Henstdijk : 16-10-1899
Ingetreden : 22-12-1918
Eerste professie : 31-12-1919
Eeuwige Professie : 05-01-1923
Overleden te Bergen op Zoom : 21-02-1979

Theo Compiet werd in 1899 geboren te Hengstdijk. Een klein plaatsje in het Zeeuws-vlaamse land.
Toen hij twintig was, is hij ingetreden in onze Congregatie.
Op vijf januari 1923 was zijn keuze definitief en deed hij zijn eeuwige professie. Zijn broer, Br. Emmanuel, was hem daarin voorgegaan in 1918.
In Nederland is Br. Andreas werkzaam geweest in Huijbergen, Breda (St. Willibrordushuis) en Oosterhout.
Het was in die dagen nog mogelijk dat taken gecombineerd konden worden. Zo was Br. Andreas surveillant en had hij tevens de zorg voor een deel van het huishouden.
Andreas kennende, zal hij dit hebben gedaan met grote plichtsbetrachting.
“Als je ergens voor staat, moet je dat zo goed mogelijk doen”. Dat principe heeft hij tot het eind van zijn leven waargemaakt. Andreas deed alles met een zekere vanzelfsprekendheid waardoor het leek dat het hem gemakkelijk afging. Bij nader toezien, bleek die vanzelfsprekendheid de vrucht te zijn van ascese. Dienstbaar zijn tot in het kleine.
Ogenschijnlijk kleine zaken verloor hij niet uit het oog. Hij doorzag situaties.
Als je hem om zijn mening vroeg, gaf hij die zonder veel omhaal van woorden. Misschien nog het best gekenschetst met nuchterheid. Andreas wist echter die nuchterheid te combineren met gevoelens van betrokkenheid waardoor hij nabij bleef. Nabijheid, dat is het wat allen die met hem hebben samengeleefd of gewerkt, hebben ervaren. Zelf heeft hij dat m.i. prachtig geïllustreerd aan de hand van een moeilijke situatie waarin een van zijn medesurveillanten verkeerde. Toen deze nl. klaagde dat hij zo weinig te zeggen had over de weesjongens met name bij de bessenpluk, luisterde Br. Andreas aandachtig. Nadat deze broeder zijn klaagzang had beëindigd, zei Andreas : “Je pakt het verkeerd aan”. Een nuchtere constatering, maar daar bleef het niet bij. Waar het gebruikelijk was, dat de weesjongens werkzaamheden moesten verrichten voor het pensionaat en het pensionaat immer voorrang kreeg, draaide Andreas deze situatie om. Hij, zei: “Zorg er nu voor dat de weesjongens eerst hun eigen deel mogen plukken en dan komt de rest vanzelf”. Toen de surveillant dit in praktijk bracht, zag hij tot zijn niet geringe verbazing dat Andreas volkomen gelijk had.

In 1937 werd hij samen met Br. Bruno benoemd voor de missie. Mogelijk is hier de invloed van zijn broer aanwijsbaar, die in 1930 vertrokken was naar het toenmalige Nederlands Indië.
Op 16 september 1937 vertrokken beide nieuwe missionarissen in aanwezigheid van de Algemene Overste, Br. Silvester z.g., die als visitator meereisde. Op 9 oktober kwamen ze op hun nieuwe werkterrein aan. De eerste standplaats van Andreas werd Pontianak.
Tot 1942 heeft hij allerlei taken verricht in en rondom het huis om de goede gang van zaken in het convent en het werk te bevorderen. Van 16-7-1942 tot 15-9-1945 waren de broeders geïnterneerd in het Jappenkamp te Kuching. Het werden jaren van ontbering en vernedering; De gezondheid van Br. Andreas – hij had aanleg voor bronchitus – heeft in het kamp een gevoelige knak gehad. Uit zichzelf begon hij nooit over die periode en als hij het al deed, sprak hij er over in sobere bewoordingen.
In 1945 werden de broeders bevrijd en na wat op krachten gekomen te zijn, keerden ze snel terug naar hun werkterrein.
Voor Br. Andreas betekende dit wederom Pontianak alwaar hij in een volkomen leeggeroofd huis de zorg voor de leuken kreeg.: We nemen aan dat hij met bijzondere ijver aan de slag is gegaan om de broeders van het nodige te voorzien.
Na een korte verlof periode in Nederland, keerde hij terug naar Singkawang om de taak van huisoverste opzichte nemen,
Naast deze taak zag hij nog kans om de acte Bahasa Indonesia te halen. Hij speelde toen al in op veranderingen die op til waren. De acte gaf hem de bevoegdheid om les te geven en zo zien we Br. Andreas aan de slag in de vóórklas van het Lager Onderwijs. Inmiddels was de strijd om een onafhankelijk Indonesia begonnen. Het was een spannende periode. Na de strijd om de onafhankelijkheid mochten onze missionarissen blijven. De bevolking wist een duidelijk onderscheid te maken tussen de blanken die heersten en de blanken die dienden. Tot die laatste categorie behoorde het missiepersoneel.
Toen Andreas voor de keus kwam te staan om zijn Nederlandse nationaliteit in te ruilen voor die .van de Indonesische, heeft hij niet geaarzeld, te kiezen voor de Indonesische nationaliteit.
Naast ideële redenen die verband hielden met missionering was ook . zijn liefde voor land en volk doorslaggevend om die keuze te doen.
Het jaar 1958 was een belangrijk jaar in de geschiedenis van onze missie. Toen meldden zich de eerste kandidaten. In Njarumkop kregen ze hun vorming en wel onder leiding van Andreas.
Nadat het noviciaat verplaatst was naar Singkawang ging Andreas mee om als socius de novicen te begeleiden.

In 1963 vertrok Andreas naar Banjarmasin om daar wederom de taak van overste op zich te nemen. Hoe goed hij daar gefunctioneerd heeft, bleek uit de reacties van zijn medebroeders die, toen Andreas naar Yogya werd geroepen, verzuchtten, “Ze hebben ons en een vader én een moeder ontnomen”.
In deze hartenkreet is precies, verwoord wat Andreas voor zijn medebroeders betekende. Misschien wel het mooiste getuigenis dat we van een medebroeder kunnen geven.
In Yogya was hij socius en econoom in het nieuw op te richten noviciaat. Samen met Br. Angelus en de novicen beleefde hij mooie tijden. Yogya werd hem zeer dierbaar Groot was dan ook de teleurstelling toen het bestuur besloot Yogya als noviciaat op te heffen. De motieven voor die opheffing hebben nooit zijn volledige instemming gekregen. Het pleit voor Andreas dat hij zich, ondanks die teleurstelling, met hart en ziel bleef inzetten voor het werk van de Congregatie.
Na zijn Yogyase periode van 1969 – 1973 werd zijn hulp gevraagd in Pati. Als eerste opvang van nieuwe kandidaten was het Andreas die veel met hen in huis omging. Een oordeel over een kandidaat van Andreas legde veel gewicht in de schaal. Hij zag scherp, was mild, maar tegelijkertijd ook onverbiddelijk als hij niets zag in een kandidaat. Het deed hem dan ook veel pijn toen hij vernam dat er broeders waren, die de mening waren toegedaan dat ze bij de Broeders van Huijbergen (M.T.B.) iedereen maar aannamen. Het tegendeel was waar. Br. Andreas is er getuige van geweest hoe voorzichtig en met welk een voorzorg Br. Angelus de kandidaten schiftte.

Op de ontmoetingsdagen te Huijbergen / 27 en 28 december 1978 – kon hij niet nalaten daar nog eens op te wijzen. Overigens drong Andreas nooit zijn mening op. Haast stereotype was zijn antwoord: “Ik heb het mijne er van gezegd, zie maar, wat je er mee doet”.
Toen in 1975 Pontianak dringend verlegen zat om een broeder die de zorg voor de gasten en alles wat daar omheen te doen is op zich kon nemen, was het weer Andreas die bereid was. De ijver waarmee hij op zijn leeftijd – hij was inmiddels 75 geworden – dwong bij jong en oud respect en bewondering af. Dat Pontianak zo een grote faam heeft verworven bij onze gasten, is zeker voor een niet gering deel te danken aan de niet aflatende zorg van Andreas.
In maart 1978, terwijl de regio een algemene vergadering op het program had staan, die de koers voor de komende jaren zou gaan bepalen, werd Andreas ziek. De dokter besloot tot opname in het ziekenhuis. Algehele zwakte met daarnaast een duidelijk ziektebeeld rond de longfunctie, de urinewegen en een soort hernia, plaatsten de specialisten voor een haast onmogelijke opgave.

Br. Andreas kende zijn toestand en was op alles voorbereid.
Ook op het ziekbed bleef hij zichzelf hij bleef net zorg vervuld voor anderen en leefde intens mee met de belangen van de regio. Op 9 juni 1978 hadden de doktoren hem zo ver opgeknapt dat hij in staat was de reis naar Nederland te doorstaan. Hij had zich verzoend met het advies van de doktoren. Het afscheid is hem zwaar gevallen. Ontroering maakte zich van ieder meester.

Terug in Nederland liet het zich aanzien dat hij wat opknapte. Hij deed zo veel mogelijk mee en was bijna pijnlijk bezorgd om niemand tot last te zijn. In december 1978 voelde hij toch aan dat het achteruitging. Op eigen verzoek heeft hij het Sacrament der zieken ontvangen.
Hij wist dat het afscheid niet ver meer af was en hij kon er in alle rust over praten. Het sterven had hij een plaats gegeven in zijn leven en de gedachte aan de dood beangstigde hem niet.
De stille uren op zijn kamer doorgebracht, waren uren van gebed. Ontelbare keren is zijn rozenhoedje door zijn vingers gegleden en heeft hij Maria aangeroepen als voorspreekster niet alleen voor zichzelf, maar ook voor zijn medebroeders, voor de Congregatie en. voor de missie in Indonesia in het bijzonder.

Hij heeft gebeden en geleden voor zijn missie, omdat hij wist dat zij het offer en het gebed bijzonder nodig hadden in de jaren van overdracht. Ook in het bidden is Andreas zijn broeders nabij gebleven. Op 6 februari 1979 volgde opname in het ziekenhuis te Bergen op Zoom. Na de tweede week daar te hebben doorgebracht, trad er plots een kritieke fase aan. Zijn afgetobde lichaam weigerde de normale functies.
Op 21 februari, is hij in aanwezigheid van zijn broer, Br. Emmanuel, zacht en kalm ontslapen. Aan een zeer verdienstelijk leven was toen een einde gekomen.
De Congregatie verliest in Andreas een voortreffelijke medebroeder, die het religieuze leven diepte en inhoud heeft gegeven niet het minst door zijn grote dienstbaarheid.

De Heer van alle leven heeft voor zijn trouwe dienaar een plaats bereid in het hemels Vaderhuis.
Br, Reginald.