IM210 Br. Stefanus Jacobus Bosman

210 Br. Stefanus Jacobus Bosman

Geboren te Halsteren : 30-07-1904
Ingetreden : 28-04-1923
Eerste Professie : 30-11-1924
Eeuwige Professie : 01-12-1927
Overleden te bergen op Zoom : 03-03-1982

Cogito ergo sum: Descartes
De mens is een denkend riet: Pascal.

Wanneer ik dit In Memoriam ga schrijven, is Br. Stefanus al een week dood. Deze dagen heb ik benut om gegevens over zijn leven te verzamelen. Ik moet daar mee stoppen, want ik krijg meer te vermelden indrukken bij elkaar, dan er ineen stuk van bepaalde omvang te verwerken zijn. Er zou een boek over te schrijven zijn maar dit boek is al geschreven, nog wel door Br. Stefanus zelf. Hoewel, niet in boekvorm. Zijn levens- en gedachtegang liggen opgesloten in een omvangrijke correspondentie, – maar daarover straks meer.

Omdat het mij niet mogelijk is de opgedane informatie chronologisch of logisch te ordenen, probeer ik slechts zijn meest markante eigenschappen te duiden en de kleine memorabele feiten daaromheen te draperen.
Br. Stefanus was een filosoof. Ik geloof dat beide als motto aangehaalde adagia van twee grote filosofen in bijzondere betekenis op de overledene niet allen speciaal van toepassing zijn, maar dat hij ze ook dikwijls als uitgangspunt en stof voor zijn overwegingen zal hebben gemaakt: hij heeft heel zijn leven nagedacht en dit vermogen huisde in een bros lichaam.
Zijn sterk denkvermogen bezat hij van nature. Jammer genoeg kon hij zijn gedachten maar moeilijk in gesproken woorden uitdrukken. Dit manco manifesteerde zich zeer sterk tijdens zijn laatste levensjaren. Des te beter kon hij zich uiten via geschreven teksten: heel zijn leven lang heeft hij brieven geschreven. Het zijn er ongetwijfeld duizenden. Zelf vermeldt hij ergens dat het er op één dag dertig waren!
Ze zijn niet bewaard gebleven: op eigen verzoek is een hele collectie opgeruimd. Erg jammer want ze hadden ons veel kunnen leren, niet alleen over zijn eigen leven, maar ook als verrijking van de opvattingen over mens, wereld en God, waarover hij zijn originele en
rijke meningen omschreef.

Zijn filosofische inslag bracht veel feiten tot andere proporties. Ze was voor hem zelf en ook voor anderen dikwijls een positief gegeven, anderzijds heeft ze hem persoonlijk ontegenzeglijk bezwaard. Hierdoor werd bijvoorbeeld de vroege dood van zijn moeder voor hem tot een trauma. Waarschijnlijk is dit nog versterkt door zijn studie in Nijmegen (wijsbegeerte, wijsgerige sociologie, psychologie, theoretische, historische en practische pedagogiek en godsdienstpsychologie). De opgedane kennis paste hij op zichzelf toe, ze beïnvloedde zijn kijk op mens en omgeving.

De invloed van Calon, Strasser en. Schillebeeckx is soms aanwijsbaar: hij kon blijven filosoferen over het verband tussen heil en heel, heiliging en heelmaking; begrippen en opvattingen die hij bij Schillebeeckx had opgedaan en waar hij in zijn brieven geregeld op terugkwam. Hij schijnt colleges voor medestudenten te hebben verslagen. De weerslag daarvan ontmoeten wij in zijn brieven, die soms 20 of meer bladzijden besloegen.
Zijn geloofsleven
Mogelijk is hier de plaats om iets te zeggen over zijn godsdienstige overtuiging en leefpraktijk. Ik meen te mogen stellen, dat de moderne theologische visies, die hem in Nijmegen zijn voorgehouden, hem in zijn geloofsovertuiging niet geraakt hebben hij bleef zijn “oud geloof” trouw. Hij noemde Pater Riesting zijn theologische vriend – en dat zegt wel wat.
Hij was overtuigd tegenstander van formalisme en wettische inslag. Hij bekommerde zich weinig om dogmatiek en de moderne vormen van bijbelbeschouwing of bijbelkritiek lieten hem onberoerd. Neen, van de Bijbel moest je afblijven: hij nam de teksten letterlijk, interpreteerde ze zeer persoonlijk; hij kon je overrompelen door zijn zeer originele visie, was voornamelijk getroffen door menselijke bewogenheid die hij er in proefde en die hij, via meditatie – zeer persoonlijk gekleurd wist te verwoorden. De bijbel maakte hem vrij en ondersteunde de waarde van broederlijke, menselijke relaties. Hij voelde een sterke affiniteit met de Focolarini en maakte met de met hem bevriende Pater Verhoeven enkele Mariapoli mee. In deze omgeving, bij dit gezelschap voelde hij zich thuis. Hij bewonderde de spontaneïteit, genoot van de uitgestraalde godsdienstige overtuiging, van de bijbelse inslag, van het uitdragen van de zorg voor de medemens van wereldwijde broederliefde. In dit midden proefde hij het bewijs voor zijn, overtuiging dat godsdienst op bijbelse grondslag een reële basis vormt voor een gelukkig, menswaardig leven en een krachtig motief voor werkdadige naastenliefde. Daaraan had hij genoeg.

Hij was sterk sociaal geëngageerd
De tekst van moderator Testers: “De vroege dood van zijn moeder heeft hij altijd meegedragen heeft toch wel een bijzonder reële inhoud. Het werd een te kort in zijn leven en hij heeft dit persoonlijk verwerkt als een voortdurend manco. Hij voelde zich minder dan anderen. Des te tragischer, omdat hij het niet kon of wilde uiten. Hij was soms moeilijk te doorgronden – zijn verlangens werden nooit geuit nooit stelde hij eisen – wel was hij verschrikkelijk, voor sommigen zelfs overdreven, dankbaar als anderen hem een dienst bewezen, als hij van anderen meeleven of warmte ondervond.
Van eigen gevoel van kwetsbaarheid naar anderen, die ook tekorten in hun leven moeten verwerken, dat is maar een kleine stap. Zo ontstond er een sterke affiniteit tot de underdog, tot de ondergedompelden, tot armen en sukkelaars. Hij liet dit gevoel niet verzanden in woorden, maar hij bood daadwerkelijk de helpende hand. Dit is vooral tot uitdrukking gekomen in zijn

Hoofdschap van de Lourdesschool.
Vooral in de periode van de 50-er jaren kan hij genoemde karaktertrekken uitleven. Het werden zijn beste jaren. Hij heeft toen onvoorstelbaar hard gewerkt en veel bereikt. Hij had grote invloed op afgedwaalde, moeilijke leerlingen, die hij – typisch genoeg – dikwijls op het goede spoor plaatste door hen aan te sporen tot moederliefde. Hij beoefende vlijtig de “sinaasappelmethode” en trachtte de goede eigenschappen – die bij iedereen te vinden zijn – tot ontwikkeling te brengen. Hij versmaadde daarbij uitzicht op beloning niet. Maar ook voor de schoolorganisatie boekte hij resultaten: de oprichting van speciale klassen voor leerlingen van het Westeinde was zijn werk – en hij wist onderwijzers te enthousiasmeren voor deze zware opvoederstaak.
Begrijpend ten opzichte van moeilijkheden van afzonderlijke leerlingen was hij een krachtfiguur voor de school als geheel: hij kon met een enkel gebaar de woelige menigte tot rust en stilte brengen. Hij Ontwikkelde de belangstelling voor de dagelijkse kindermis waarvoor hij telkens een toespraak hield. Dan kon hij wel spreken.
Soms waren zijn gedachtesprongen voor anderen niet te volgen – zijn gedrag was af en toe vreemd en bevreemdend, minstens onverklaarbaar. Vandaag kon hij met veel enthousiasme een plan van aktiviteit voor de volgende dagen ontvouwen, maar als het op uitvoeren aankwam was hij soms ziek. Dit bracht moeilijkheden mee voor zijn collegas, die dan de situatie maar moesten opvangen en regelen. Toch kon een dergelijke gang van zaken hem niet kwalijk genomen worden, omdat men overtuigd was van zijn goede bedoelingen. De sterke teamgeest streek alle oneffenheden weer glad.

Soms was hij niet alleen moeilijk voor zijn collegas en medebroeders, maar ook voor zijn overheid. Zijn aangehaalde uitspraak: “Ze begrijpen er niks van” als reactie op het aanbod om zijn kamer wat gerieflijker in te richten, was ook wel eens toepasbaar op zwaardere situaties Maar hij maakte het er soms naar, dat hij werkelijk niet te begrijpen was – en zijn moeilijkheid om een duidelijke uiteenzetting van zijn bedoeling te geven versterkte soms deze lastige gang van zaken.

Hij voelde zich niet alleen betrokken bij de noden van anderen, maar hij voelde zich daarmee ook één – hij leed er zélf onder. Daar moet je niet over praten daar moet je wat aan doen. Hij lenigde naar vermogen daadwerkelijk de nood en nam gewoon het risico, dat er ook misbruik werd gemaakt van zijn goedheid. Heeft hij zich in deze activiteiten verstrikt? Heeft hij er zich aan vertild? Was hij te ver gegaan? Kende hij de grenzen niet? Een reële kritische instelling ten aanzien van diverse problemen kon hij zich niet eigen maken. Bovendien kon hij de opvattingen van anderen niet inschatten en stootte hij soms personen af die – volgens hem – niet genoeg sociaal geëngageerd waren. Daardoor is hij in moeilijkheden geraakt. Hij werd ziek – hij was niet meer te handhaven – hij werd overgeplaatst naar Huijbergen (januari 1955). Deze gang van zaken is de grootste ramp in zijn leven geworden. Het werd een keerpunt. Hij heeft het nooit kunnen aanvaarden of verwerken.

Br. Stefanus was een schrijver
Schriftelijk kon hij uiten wat hem in gesprekken moeilijk viel te verwoorden en wat hem op latere leeftijd zelfs onmogelijk werd. Het schrijven was gelegenheidswerk – het was geen doel op zich, maar had een functionele taak: hij schreef niet om te schrijven maar om dienstbaar te zijn, om goed te doen. Hij schreef vlot en vlug, mogelijk te vlug en te onkritisch. Hij streefde geen poëzie na, maar was soms ontegenzeglijk poëtisch, hoewel velen het nu waarschijnlijk hoogdravend en bombastisch zullen noemen. Hij schreef onregelmatig: hij bracht de uitvoerenden van zijn toneelstukken en de uitgever van zijn taalmethode soms tot vertwijfeling – maar de rappe schrijfmachine leverde toch op het laatste nippertje het verlangde resultaat. Als voornaamste pennenvruchten noemen we de tekst voor het oratorium bij het 100-jarig bestaan van de Congregatie, de bewerking van een taalmethode, een fantastisch toneelstuk voor het San Francesco-orkest, “Vuur en Vlam”, een verhaal over het leven van de heilige Pater Eymard, “Loetje Loeris”, bijdragen voor het tijdschrift “Jeugd” en “God met Ons” van zijn vriend Br. Bernardus van Brakkenstein, operetteteksten. Over elk aangehaald werk zou veel te zeggen zijn, maar dit laten we nu maar na.

Slechts een enkel woord over zijn uitgebreide correspondentie. De ondergrond voor deze activiteit werd gevormd door zijn zorg voor anderen, door zijn menselijke betrokkenheid bij het wel en wee van zijn medebroeders, of gewoon om een attentie te bewijzen. Tot zijn levenseinde heeft hij dit volgehouden en zo uitte hij schriftelijk, wat hij mondeling niet meer kwijt kon. Hij versterkte er de broederlijkheid door: we zouden het een apostolaat van de brief kunnen noemen. Attent is deze instelling uitgedrukt door Br. Matthias in het thema voor meditatief orgelspel tijdens de uitvaartmis toen hij fantaseerde op de verstilde gregoriaanse melodie op de tekst van Johannes: “Ubi caritas et amor, Deus ibi est”.
Ik vrees, dat veel aanwezigen het niet opgemerkt hebben. Jammer, want deze tekst was Br. Stefanus op het lijf geschreven.

Laatste jaren
Het ging lichamelijk en mentaal snel en sterk met hem achteruit. In 1975 vertrok hij naar Breda, waar hij nog enkele jaren in de pastorie heeft gewoond en waar hij zijn dagen hoofdzakelijk vulde met het verzorgen van zijn correspondentie. Door de opheffing van dat huis moest hij verhuizen naar de Roland Holststraat. Daar is hij liefderijk opgevangen en deskundig verzorgd door Br. Rumoldus en Zuster Heitling. Zijn dankbaarheid daarvoor heeft hij voortdurend gestameld.
De laatste levensdagen waren erg triest: hij moest nog een operatie ondergaan en kon praktisch niet meer spreken. In de vreemde omgeving van een onbekend ziekenhuis was hij geheel op zichzelf aangewezen. Communicatie met anderen was onmogelijk geworden.
Dacht hij nog? Ging dit leven onderhuids door? We weten het niet. Het heeft gelukkig niet lang geduurd. Spoedig knakte het denkende riet. We1 weten we, dat hij nu leeft in voortdurende gemeenschap met God, het centrum van al zijn gedachten, waardoor hij was en nu nog is.
Br. Marcellus

Direct na de begrafenis van Br. Stefanus ging ik mijn fiets halen bij de kapel en bij het teruggaan zag ik een vrouw en een man halverwege de Dreef. Hij, heel pover gekleed, lange sluikharen Zij, ook een zeer simpele kleding, in haar hand droeg ze een boodschappentas en hij liet een fototoestelletje bungelen aan zijn hand. Beiden draaiden de tuinweg in naar het kerkhof, waar men nog bezig was het graf van Br. Stefanus te delven. Bij de heg bleef ik staan, om te zien wat er gebeurde. Beiden liepen recht naar het graf van Br. Alfonso. Uit haar tas kwam een kruik en ’n fles. Ze deed de stop eraf en de man draaide beide in het zand naast het kruis. Intussen wikkelde zij uit een krant enkele roosjes en deed ze in de kruik en in de fles.
Toen de rozen er in waren en de krant weer terug in de tas zat bleven beiden even voor het graf staan. Hij knielde toen voor het graf, maakte een foto, en beiden sjokten weer weg zonder naar iets anders om te zien. Ik kon niet weerstaan hen aan te spreken.
“Goeie morgen! Hebt U Br. Alfonso ook gekend?”
“Ja, heel goed. Bent U ook broeder?” “Ja.” “0, dan zul je hem wel geen goeie broeder hebben gevonden. Wij wel. Voor ons was ie de beste!” “Nou, ik mis hem ook erg. Ik heb er lang mee in Amsterdam gewoond en ik vond het ook een echte, fijne mens!”
En intussen vertelde ik verder dat we juist een vriend van hem begraven hadden. “Ja”, zei ik toen, “die man dacht en schreef veel over de liefde en de Fons was de liefde, die deed het.
Maar mag ik U iets vragen? Als ik Alfonso zeg, waar denkt U dan aan?” “Wat?” zei de vrouw en ze stond even stil, “aan wel duizend dingen. En mot ik jou nou één ding vertellen?
Hij (en ze wees naar de man naast haar) heeft alles aan hem te danken. Ik weet nog goed toen ie s nachts weer eens weg bleef, kon ik het niet meer uithouden. Ik belde de Fons, en binnen 10 minuten was ie er. Dat is de Fons. Ja, en nou vandaag is het zijn dag.
Maar kom, we gaan weer naar Breda. Tot ziens he!” “Ja, oudoe hoor!” “Verrekt, komde gij ook uit Breda?” Even later vertrokken ze in een auto, die echt bij hen hoorde. s Middags wilde ik weer even naar het kerkhof. En wat zag ik op het kruis van Br. Alfonso: 6 – 3 – 79. Toen begreep ik pas de woorden van die vrouw: “Vandaag is het zijn dag”. De dag van twee broeders, beiden vol liefde, beiden op hun manier.

Br. Matthias