IM214 Br. Guido Petrus Franken

214 Br. Guido Petrus Franken

Geboren te Bergen op Zoom : 12-09-1905
Ingetreden : 28-06-1924
Eerste Professie : 12-01-1926
Eeuwige professie : 13-01-1929
Overleden te Huijbergen : 05-09-1982

Stil en rustig is vandaag Br. Guido overleden, opgeleefd en uitgeblust. Het is zondagmiddag, mooi weer, het dorp vol muziek vanwege festiviteiten. Maar dit alles gaat aan hem voorbij die zijn laatste levensstrijd voert. Om half vier legt hij het moede hoofd neer. Bij de gezongen Vespers om vijf uur vallen me vele verzen op als rechtstreeks van toepassing op dit sterfgeval, En zo gebeurt dat ook bij andere ervaringen. Wat zijn de psalmen toch rijk. Een voorbeeld uit psalm 42-43: “Waarom dan zo moedeloos, waarom opstandig? Ik zal wachten op God en eens zal ik Hem danken; Gij zijt mijn lijfsbehoud, Gij zijt mijn God,”
Enige weken geleden was hij nog even in het ziekenhuis geweest, maar de doktoren konden niets voor hem doen. Langzaam gingen zijn krachten achteruit, doordat hij praktisch geen voedsel meer gebruikte en amper nog vocht naar binnen kreeg. Hij was moe en voelde het einde naderbij komen, maar “het duurt zo lang”, zei hij. De broeders die hem verpleegden, stonden telkens weer verbaasd, dat hij de nacht was doorgekomen, en na inzinkingen weer opleefde, wat beter kontakt met hem hadden. Dan stelde hij zijn stereotype vragen; “Wat is het vandaag? Hoe laat is het? Wat is er nou te doen?” Het einde moest onvermijdelijk eens komen en op zondag half vier ging zijn kaarsje uit. Hij was op een week na 77 jaar en sinds 1924 lid van de Congregatie. Met hem is een typische figuur heengegaan, een Bergenaar in hart en nieren. Zijn laatste jaren leefde Piet Franken eenzaam en stil, altijd op weg overal heen door de gangen met zijn onafscheidelijke puzzelboekjes. Zijn actieve leven heeft hij doorgebracht als onderwijzer op verschillende scholen, vooral de lagere en speciaal in de lagere klassen, Hij werkte in de plaatsen Huijbergen, Hulst, Amsterdam en vooral Breda. Even heeft hij zijn kennis van de talen Frans en Engels aan de man gebracht op de ULO-school, maar al gauw keerde hij terug naar zijn geliefde eerste-klassertjes.
Naast dat school doen was hij kunstenaar. Hij tekende en schilderde, schreef gedichten en enkele toneelstukjes voor kinderen, een Prins vermist en het Wonder der Madonna. Hij componeerde ook en speelde niet onverdienstelijk orgel.

Een bundeltje “Eerste Gedichten” publiceerde hij onder het pseudoniem van Lodewijk van Maelstede. Het is een verzameling van bijna vijftig gedichten over de hoogtepunten van
het menselijk leven en van het kerkelijk jaar. Stuk voor stuk zijn het uitingen van geloof, van eerbied voor de kerk, van een fijn waarnemingsvermogen en liefde voor de natuur. Zelf spreekt hij er zijn verlangen uit naar een hoger geluk, dat hij uit zich zelf nooit op bevredigende wijze heeft gevonden. Dit was het misschien, dat hem maakte tot een verstilde figuur met een enigszins bevreesde geest. Een van zijn opvallende uitspraken van de laatste weken duidt daarop. Bij het toedienen van het Sacrament der Zieken was hij bang “iets te vergeten”, als hij zou biechten. Feitelijk gaf hij daarmee het verlangen te kennen alles van zijn leven de revue te laten passeren om geheel vrij te zijn van alle belemmeringen en in te gaan in de vreugde van de Heer. Over zijn prestaties, zijn kunstproducten sprak hij zelden of nooit; het was van geen belang. Alles gaat voorbij, zegt hij in één van zijn gedichten: “Geloof, hoop en leven; alleen de liefde blijft immer bestaan.” God zal hem liefderijk ontvangen, vooral omdat hij de moeder van Zijn Zoon zo prachtig heeft geëerd in veel gedichten die nooit verschenen zijn in druk. “Maria, vrouw van het laatste uur, als wij slechts wachten op Zijn stem. Breng ons met zachte hand naar Hem, als hij bij ons uitdooft het laatste vuur.”
Moge hij rusten in vrede,
Br. Karel

Broeder Guido was als onderwijzer werkzaam te Huijbergen, Amsterdam, Hulst, wederom Huijbergen, Breda, wederom Amsterdam, en ook weer Breda. Daar was hij onderwijzer in de school aan de Lunetstraat van 1 september 1944 tot 1 augustus 1967. Op deze laatste datum werd hem ziekenverlof verleend. Hij kreeg definitief pensioen op 20 december 1972. Behalve zijn onderwijzersakte (77a) verwierf hij de hoofdakte (77b) Frans L.O. en Engels L.O. Met de aankleding van dit skelet maakt de bij Br. Ansfridus berustende persoonskaart. van Br. Guido een bescheiden beginwaar namelijk vermeldt wordt, dat deze een enkel jaar leraar is geweest aan de ULO in de Karrestraat. Zijn bevoegdheden maakten hem geknipt voor het leraarschap, maar zijn hart ging uit naar de kleinen. De eerste klas van de lagere school is zijn eigenlijke arbeidsterrein geworden.

Welsprekender voor de kennis van Guidos persoonlijkheid zijn de scheppingen van zijn geest. De waarde van zijn muzikale composities gedeeltelijk onder het pseudoniem “Frank Petersen” uitgegeven – werd erkend door de kommissie die over het niveau en de gepaste kerkelijkheid van de katholieke muziekmarkt te waken had. Maar meer rechtstreeks spreekt hij zich uit in de gedichten die hij ons heeft nagelaten. Een deel daarvan is gebundeld onder de titel “Eerste Gedichten” en uitgegeven bij “Vox Romana” te Schiebroek. De dichter heet hier “Lod. van Maelstede”, een naam die de herinnering oproept aan een middeleeuws Hulsters geslacht, en die vermoedelijk door Br. Dominicus Schuurmans gesuggereerd is. Dominicus en Guido zijn een paar jaar samen lid geweest van het Hulsterse convent. Er zijn in dat bundeltje schone gedichten aan te wijzen als bijvoorbeeld “Sonnet in Mei”, aan onze Lieve Vrouw gewijd, en waarvan we hier enkele regels aanhalen:
Gij, die de aarde aan de hemel bindt
met menigvoude gouden draden;
en Gij, die langs de donkere paden
der dalen het dwalen ziet van ieder kind:
ik weze U een, die wederkerig mint,
zonder op liefde zich aarzelend te beraden.

Een gedicht “Pro Pace” lijkt me heel en al Guido te zijn, Het is bestemd voor een zekere Martin Bruyns, schrijver van militante artikelen’ en doelt op vrome ruziemakers, die omwille van theologie en liturgie het woord “Zie hoe zij elkander minnen” te schande maken, Ik hoop mijn lezers niet al te zeer te vermoeien, als ik het in zijn geheel hier overneem.

Ik wens geen problemen meer, o Heer,
ik wens alleen uw hemelse muzieken
en geen der bittere kritieken
tot welzijn van de zuivere leer.

En niet de luide polemieken
rond het domein der stille poëzie,
en geen debat omtrent de melodie
en het origine van uw kantieken,

Zie toch, hoe zij elkander minnen,
hoe lang geleden is dit woord gezegd,
sinds in Uw huis ook om het recht
gestreden wordt om eer te winnen

Ik wenste peis in onze stee
en niet de strijd om de importantie
en om het gelijk, maar slechts de alliantie
van de verbondenen in Uwe vrêe.

Ik wenste – ach, wat wenste ik,
wat anders dan het eendrachtig gaan
langsheen de transparante baan
om U te zien, elk ogenblik.

Strijd lag niet in de natuur van Guido. Zijn aan Br. Silvester gewijd gedicht “Aan Huijbergen” ademt een vrede, die de hemel nabij is.

Waar nog de stilte slaat een wijde ring
waarbinnen, eeuwen her, een dieper stilte hing
als stille monden stonden in een woordenloos beminnen,
gaat, onder het wuiven van een eeuwige wind,
de lach en het zingen van een spelend kind.
en vindt de vreugde weer een ongestoord beginnen.

0 grijze burcht, verscholen in het land
der duisternis en van het schriele zand,
waar nog de witte wegen eenzaam dromen, –
hoevelen klopper aarzelend aan uw oude poort
en treden in het licht, dat stralend gloort
in dit gezegend oord der kleinen en der vromen,

Wat is er van deze beminnelijke idealist overgebleven in de Guido, zoals we die in zijn ouderdom gekend hebben? Heeft hij het paradijs van zijn gedichten prijsgegeven? Het lijkt niet vermetel to veronderstellen, dat de stormen die door de kerk waaien (zoals ik een priester hoorde zeggen), en de bloedige, en onbloedige konfrontaties in de maatschappij van vandaag, hem, kwetsbaar als hij was, niet onberoerd hebben gelaten. Maar dat blijft een veronderstelling, want hij heeft er, vooral in zijn latere jaren, weinig behoefte aan gehad zijn gemoed tot marktartikel te maken. Triestig was het zijn neergang te zien. Telkens opnieuw wilde hij weten, hoe laat het was, en wat er nog meer op het dagprogram stond. Zijn puzzelboekjes vergezelden hem overal, ook toen hij niet meer aan de oplossingen toe was, Zijn laatste weken leken hem eindeloos toe. Ofschoon hij ook toen nog van zijn religie geen demonstratie maakte, was hij toch dankbaar als Br. Archangelus hem uitnodigde om samen te bidden.
Er hangt in een van de gangen van het Instituut een door Br. Guido geschilderde afbeelding. van Siardus Bogaerts, waarvan het origineel zich in het Wilhelmietenmuseum bevindt. Ik
vind de kopie niet zo goed geslaagd maar ze is me toch in zekere zin dierbaar, omdat ze aan Guido herinnert. In zijn leven is deze door een diep dal moeten gaan daar ben ik van overtuigd. Ik denk dat dat voor zijn Heer niet vergeten zal zijn,
Br. Cl.