216 Br. Ferdinandus Ludovicus van den Bergh
Geboren te Ossendrecht : 20-07-1902
Ingetreden : 14-10-1918
Eerste professie : 24-08-1920
Eeuwige Professie : 26-08-1923
Overleden te Breda : 13-12-1982
In alle stilte is hij op 13 december 1982 s morgens om half zes heengegaan. Zo stil, dat Br. Rumoldus – de enige aanwezige – Br. Edmund moest gaan halen om samen de dood te constateren. Pater van Wahnem heeft hem nog geestelijke bijstand trachten te verlenen, maar waarschijnlijk was hij toen al overleden. Menselijkerwijs gesproken kunnen we vaststellen, dat Br. Ferdinandus de overstap naar een ander leven onbewust heeft gemaakt, nadat hij er zich twee jaar lang zéér bewust op voorbereid had. Dat was begonnen, toen het Diaconessenhuis na langdurige verzorging hem huiswaarts liet keren; wel beladen met een dreigende bloedziekte, waarvoor hem nog enige malen transfusie is toegediend, met de opdracht tot aanhoudend medicijngebruik, met een onwillige voet en de plicht van een lastige, lichamelijke verzorging.
Hij heeft deze tijd moedig doorgebracht, vechtende om zijn beweging onder controle te houden, vechtend ook tegen dreigende invaliditeit. Maar uiterlijk hield hij de moed erin, sjouwde nog regelmatig in zijn geliefde tuin, snoeide, plantte, maaide het gras en verzorgde de vogeltjes. Hij waagde zich nog op de fiets om het Mastbos te bekijken en bezocht familieleden en oud-pupillen, de troetelkinderen van zijn onvermoeibare aktiviteit, maar wel in het achterhoofd: om er afscheid van te nemen. Heel zijn leven heeft in dienst gestaan van deze aktiviteit. Hij heeft er veel genoegen aan beleefd, niet het minst, toen hem voor dit werk een. Pauselijke onderscheiding werd verleend. Maar óók veel verdriet. Zijn staat van dienst vermeldt, dat hij op 8-10-1940 “bewoner” werd van het Oranje-hotel te Scheveningen en dat hij van 30-4-1941 tot 15-2-1942 in Rheinbach, Duitsland, “verbleef”. Een bewoning en verblijf die hem door “verkeerde leerlingen” is bezorgd en die hem het leven lang zijn blijven heugen.
Na de oorlog, van 1-9-1945 tot 1-9-1951 beleefde hij zijn glorietijd als overste van het weer betrokken “Alverno”, het enige gebouw dat van de verwoesting gespaard was gebleven. Wat hij daar met ongeremde arbeidslust heeft gepresteerd klinkt nu haast ongeloofwaardig en onvoorstelbaar, en mogelijk is het al te gemakkelijk vervaagd of vergeten. Hij heeft het gehavende Alverno opgeknapt en leefbaar gemaakt, hij legde de “Ferdinandus weg” aan, die Alverno met het toen als schoolgebouw gebruikte poortgebouw verbond, hij veranderde de wildernis “Siberië” weer in een tuin, hij bewerkte onverdroten de schrale grond van het Theresiabos, hij legde een hele boomgaard aan. Intussen vergat hij het welzijn van zijn Convent niet, er leefde een nieuwsoortige samenleving op en – hoewel hij de regeltrouw nooit vergat – was hij ongetwijfeld een voorloper van de naderende vernieuwing
In deze periode vierde hij zijn zilveren professiefeest: broeders gezamenlijk met de uitgebreide familie. Hij trakteerde toen het hele Convent op een gezamenlijk uitstapje naar Overijssel, waar de hele groep door vriend en oud-leerling Cor van Dooren feestelijk ontvangen werd. Het is een ontmoeting geworden, die hij later nog verschillende malen heeft herhaald en, die in het huidige Convent aanleiding werd tot broederlijke plagerijen.
Na deze periode vermeldt zijn staat van dienst weer: Surveillant St. Willibrordushuis, portier Hulst, surveillant H.B.S, Oosterhout, weer St. Willibrordushuis en daarna Heylaar, waar het werk aan “de jongens” op 1-7-1959 eindigde. Hij is toen naar de Karrestraat gegaan, maakte de verhuis naar de Roland Holststraat mee en beleefde er zijn emeritaat in blijvende zorg voor zijn oud-pupillen. Hij verzorgde daarbij de diensten in de kapel als koster en met toewijding en bekritiseerde deskundigheid werkte hij voortdurend in zijn tuin.
Een arbeidzaam leven, ook toegewijd en vroom, daarbij gesteund door een eerlijke
godsdienstige overtuiging, die uitmondde in trouwe aanhankelijkheid aan vroegere waarden, die hij nooit heeft verloochend. Hij zal nu ongehaast genieten van de voortdurende rust die hij zich tijdens zijn aards leven nooit gegund heeft.
Br. Marcellus