223 Br. Simon Jozefus Jacobus Gedula Blommerde
Geboren te Standaarbuiten : 14-03-1913
Ingetreden : 01-09-1934
Eerste professie : 19-03-1936
Eeuwige professie : 19-03-1940
Overleden te Breda : 13-09-1983
Op maandag 12 september was Br. Simon nog het middelpunt van de avondrecreatie. Met ingespannen aandacht volgden we de verhalen die hij met zwakke fluisterstem vertelde: verhalen over de nu lachwekkend lijkende kloostervoorschriften en over de nog meer lachwekkende listige manier waarop hij ze wist te ontduiken. Een meesterlijk verhaal van ernst en luim en een avond om nooit te vergeten.
Niemand vermoedde, dat het zijn laatste avond was en dat hij de komende nacht het tijdelijke met het eeuwige zou verwisselen, op de manier die hij zich in dikwijls voorkomende moeilijke ogenblikken als de meest gewenste had voorgesteld: in de slaap en onbewust. Wat heeft hij moeten doorstaan, voor hij zover was en met welke bewonderenswaardige moed heeft hij onbarmhartige pijnen moeten verduren, voor dit sterke lichaam zich gewonnen gaf! Een korte samenvatting van het verloop van het ziekteproces moge hier volgen.
Reeds in 1977 kreeg hij een klein hartinfarct, waarvan hij spoedig geheel herstelde. In juni 1981 is bij een operatie de rechternier weggenomen. Ook van deze behandeling was hij ongelooflijk snel hersteld. Aanvankelijk geplande bestraling. hoefde niet toegepast te worden. Hij kreeg wat later maagklachten, maar dit ongemak wist hij te bedwingen. Uitwendig gezien, maakte hij het goed, hij nam deel aan enkele tochten met de fietsclub voor bejaarden en hij voelde zich zó fit, dat hij besloot in september 1982 een busreis naar Normandië te gaan ondernemen Deze tocht is hem fataal geworden: op de terugweg naar huis kreeg hij weer een hartinfarct en is hij opgenomen in het ziekenhuis te Rouaan.
Na behandeling is hij per vliegtuig naar Nederland vervoerd en kwam hij op de intensive care van het Diaconessenziekenhuis terecht. Er werd trombose in het linkerbeen geconstateerd en er volgde een rustperiode: eerst in het ziekenhuis, later thuis met het linkerbeen op een bankje, niet bepaald een situatie die hij prettig gevonden heeft.
Bij een onderzoek dat later volgde, werden vlekken op de long geconstateerd. De dokter heeft hem meegedeeld, dat rekening gehouden moest worden met een tumor. Toen zal hem de ernst van de situatie bewust geworden zijn. Hij kreeg last van rugpijn en heeft nog een fysiotherapeut bezocht die acupunctuur ter bestrijding hiervan toepaste. Maar na enige tijd voldeed deze behandeling niet meer: de algehele toestand ging achteruit. Dr. Seventer paste op 1 juni 1983 een pijnbestrijdende operatie toe. Daarna verloor hij zijn stem. Hij kreeg last van stuwing in de rechterarm en van een gezwollen nek. De pijn bleef voortduren en met alle macht heeft men geprobeerd die te bestrijden. Maar de toegediende dosis medicamenten moest steeds verhoogd worden.
Op 26 juni is hij bediend. Het verdere verloop is nogal wisselend geweest: op gunstige dagen was hij nog zo veel mogelijk in ons midden en wist hij opgewekt te vertellen, maar iedereen zag toch wel, dat het vlug met hem achteruit ging en dat het eind voor de deur stond. Op 13 september is hij in de vroege morgen overleden. Ik veronderstel, dat iedereen opgelucht was met het feit dat zijn voorbeeldig gedragen lijden voorbij was. Voor altijd was hij nu van zijn beproeving verlost. Deze mogelijk wat lange beschrijving van het verloop van Br. Simons ziekte moest me uit de pen, omdat we allen zo intensief met hem meegeleefd hebben. Hij maakte ons dat niet moeilijk: hij hield zich dapper, hij klaagde niet, hij wist de vele bezoekers rustig te woord te staan, wuifde te bezorgde belangstelling weg en wist te nieuwsgierige informatie af te leiden. Hij leefde nog volop met alles en allen mee en had bijzonder veel belangstelling voor het voortbestaan van wat hij in zijn laatste dagen waarschijnlijk wel als zijn voornaamste opdracht beschouwde: de zorg voor de missietentoonstelling van de Paters van Mill-Hill in Roosendaal. Door voortdurende belangstelling en zorg wist hij de toekomst hiervan voor jaren veilig te stellen. Nog in het ziekenhuis liet hij zich brandstift en hout bezorgen om op zijn kamer werkstukken af te maken die de verkoop ten gunste van dit missiewerk konden bevorderen. Met zijn vriend Frans van Laarhoven had hij de goede gang hiervan tot in de puntjes geregeld.
Gaan we een stapje terug in dit levensverhaal, dan ontmoeten we zijn deskundige zorg voor het werk in de Schorsmolenstraat. Met eenvoudige, aangeboren deskundigheid wist hij hier voortdurend moeilijkheden op te lossen en lastige situaties te ontwarren. Toen hij afscheid nam van dit werk, werd hij hiervoor beloond met de eremedaille in zilver, verbonden aan de Orde Oranje Nassau. Waarschijnlijk de prettigste levensjaren heeft hij doorgebracht als surveillant op het Semi-internaat van het St.- Jansklooster van 1963 tot 1973. Hier was hij een zorgzame vader voor de gehandicapten hij leefde letterlijk in hun leven mee: overdag en s nachts. Het surveillantenbloed stroomde in zijn aderen: van 1946 tot 1951 was hij surveillant aan het pensionaat in Halsteren, van 1951 – 1963 in Huijbergen. Hij deed dat op zijn eigen manier: opleiding had hij er niet voor nodig, pose of uiterlijk vertoon was hem vreemd, hij gaf zich geheel zoals hij was door goed te zijn voor zijn jongens, door met hen in alles mee te leven, door hen bezig te houden met zijn vele gaven op het gebied van handenarbeid, waarmee hij op zijn geëigende manier wonderen verrichtte, en – vooral – anderen trachtte gelukkig te maken. Hij had het vermogen, daarbij een eigen stijl te ontwikkelen, waarbij hij zich nooit achter een gevel verborg: hij gaf zich zoals hij was, zelfs zijn tekenend dialectgebruik heeft hij nooit, voor wie dan ook, trachten te camoufleren.
Ik geloof, dat we vooral zijn eerlijkheid moeten bewonderen, ik geloof ook, dat die het hoofdkenmerk was van zijn religieuze instelling. Hij had er niet de minste behoefte aan, zwaarwichtige beschouwingen te lanceren, verheven situaties te beschrijven, of zich een godvruchtig voorkomen aan te meten. Het eenvoudig goed zijn voor anderen was zijn enige bedoeling en zijn voortdurend beleefd leefpatroon en dit heeft hij, ook in moeilijke omstandigheden – misschien ook met list en handigheid – weten te realiseren.
Nooit wilde hij iemand tot last zijn en deze instelling zal hem, in het bijzonder tijdens zijn ziekteperiode, wel wat gekost hebben, Zoveel mogelijk spaarde hij anderen en wist hij te voorkomen, dat ze extra moeite voor hem moesten doen. Ongetwijfeld was hij zijn verzorgers tijdens zijn laatste levensdagen zeer dankbaar. Dat zullen zowel de toegewijde ziekenzuster als de onvermoeibare Br. Rumoldus ondervonden hebben, toen ze voortdurend voor hem in actie waren. Het zal hen nu vanuit het andere leven met zijn dankbaarheid volgen. En wij zijn hèm dankbaar voor dit eerlijk voorgeleefde model van een Huijbergse broeder
Br. Marcellus