239 Br. Gerlachus Joannes Adrianus Bunnik
Geboren te Ouder-Amstel : 18-04-1911
Ingetreden : 16-01-1929
Eerste Professie : 18-08-1930
Eeuwige Professie : 20-08-1933
Overleden te Oosterhout : 02-10-1986
Donderdag 2 oktober, een gewone dag s morgens de H. Mis van het feest van de H. Engelbewaarders, daarna het ontbijt met de gebruikelijke ochtendpraat over voetbaluitslagen, de weersverwachting en, sinds een week, informeren naar de toestand van Br. Gerlachus, die in het ziekenhuis ligt. Na het ontbijt een telefoontje: “Toestand sinds zeven uur ernstig, overgebracht naar Intensive Care, familie waarschuwen!” Ineens is alles anders; dit kan toch niet waar zijn; de avond tevoren waren er nog geen aanwijzingen in die richting! Na de aanvankelijke verbijstering komt dan toch de realiteit weer terug. Iedereen wordt gewaarschuwd, ook de pastor van het ziekenhuis wordt opgeroepen. Als twee medebroeders in de ziekenkamer aankomen, is de pastor al bezig met het toedienen van het Sacrament der stervenden. De zieke heeft de ogen gesloten en reageert niet zichtbaar, zijn ademhaling krijgt steeds langere tussenpauzes en langzaam, begeleid door de troostvolle gebeden, glijdt het leven weg. De internist komt en bevestigt, wat wij op dat moment al weten.
Tussen de ansichtkaarten die Br. Gerlachus in het ziekenhuis ontving, was er één die me trof door de tekst van J. de la Fontaine die erop stond: “Souvent on rencontre sa destinée par les chemins qu on prend pour l éviter.” (Vaak gaat men zijn bestemming tegemoet langs wegen die men inslaat om die bestemming te ontlopen.) Gerlachus ging, zoals al zo vaak in zijn leven, het ziekenhuis in met de hoop er weer genezen uit te komen. Het mocht deze keer niet zo zijn, hij vond zijn eindbestemming, en wel op een moment dat noch hijzelf, noch zijn medebroeders dat verwachtten,
Lang heeft hij met zijn gezondheid gesukkeld en hij ging. daar zichtbaar onder gebukt. “Er komt telkens wat bij,” zei hij wel eens. Veel verwerkte hij in stilte op zijn kamer, vooral tijdens slapeloze nachten en hij vond het verschrikkelijk een beroep te moeten doen op de hulp van anderen. Hij was gevoelig, maar bijna krampachtig verzette hij zich ertegen, dit te laten merken. Slechts af en toe kwam zijn ware aard naar boven en klapte hij spontaan in de handen bij een sportief hoogtepunt op de T.V., of gebruikte hij na een bewezen dienst de uitdrukking die hem eigen was; “je bent een engel!” De laatste engel was hoofdzuster Petra van afdeling 7.
Ondanks de veelvoudige lichamelijke klachten heeft Gerlachus een arbeidzaam kloosterleven achter de rug. Met uiterste stiptheid gaf hij als religieus inhoud aan zijn leven. Hij was een gelovig man en hij zal zeker als “trouwe dienstknecht” door de Heer van alle leven worden verwelkomd. Tot zijn vijfenzestigste jaar heeft hij zijn beste krachten gegeven aan het onderwijs. Hij was een goed leraar, die, naast het vakmatige, ook nog oog had voor andere zaken waarmee zijn leerlingen worstelden.
Met hart en ziel besteedde hij al zijn vrije tijd aan het onderhouden en verfraaien van de tuin. Het was een lust voor het oog. Alles werd uitgekiend met mathematische nauwkeurigheid werden de zelfgekweekte plantjes keurig op een rij gezet en hij genoot intens, als alles groeide en bloeide.
Daarnaast vond hij nog tijd om in de “Floraliatuin” chrysanten te kweken. Hele rijen werden met zorg gepluisd en van zakjes voorzien. De fraaie boeketten sierden daarna onze kapel. In die tuin had hij volop contact met de andere kwekers en dit bleef ook nog zo, toen hij, gedwongen door zijn afnemende krachten, dit werk niet moer kon doen. Met trots wees hij in het ziekenhuis op de prachtige bos bloemen uit bovengenoemde tuin. Het werd een laatste groet. Verdere contacten had hij niet veel; het liefst bleef hij, bescheiden als hij was, op de achtergrond. Huisoverste zijn lag hem helemaal niet; hij heeft het gedaan, omdat zijn overheid het hem vroeg en hij was blij, toen die periode voorbij was. Nauwkeurig de huisadministratie bijhouden bleef hij doen tot het laatst. Dat kon in stilte gebeuren; zo wilde hij het graag.
Na dit arbeidzame, door lichamelijke ongemakken geplaagde leven heeft Br. Gerlachus nu, na zijn beide broers in de Congregatie, Br. Paulus en Br. Masseus rust gevonden.
Wij wensen hem, die onopvallend en sober tussen en met ons leefde, voor al zijn werken de beloning in de hemelse tuin, waar geen onkruid groeit tussen de bloemen en waar hij, verlost van lichamelijke zorgen, kan rusten in de “grazige weiden” van zijn Heer en Schepper.
Salvator