246 Br. Hieronymus Paulus Roelen
Geboren te Made : 20-12-1889
Ingetreden : 04-05-1907
Eerste Professie : 14-09-1909
Eeuwige Professie : 02-09-1911
Overleden te Huijbergen : 27-11-1987
Het vallen van het blad is voor nogal wat mensen een periode van problemen. Zo ook voor Broeder Hieronymus, maar dan alleen vanwege de drukte, die door die bruine bladerlaag veroorzaakt wordt. De enige vraag was dan altijd: “Hoe krijg ik ze zo gauw mogelijk aan de kant, zodat tuin en park er weer netjes bij liggen.” Zo was hij enkele weken geleden nog druk bezig met harken, met ruimen. De overste van het huis moet op een dag wel even vreemd opgekeken hebben, toen hij van Jerome de mededeling kreeg: “Ik kan niet meer naar de tuin, ik heb geen lucht meer.”
En zo is voor de man, die ver op weg was naar de honderd jaar, het eindstadium ingegaan. In korte tijd kon hij niet meer naar de tuin, maar vlak daarop ook niet meer naar kapel of refter, evenmin buiten zijn bed. Het gedwongen rusten legde geleidelijk aan het hele organenstelsel stil, want het hart werkte niet meer naar behoren. Met Allerheiligen werd hij tijdens de Hoogmis uit voorzorg bediend. De maand november heeft hij net niet uitgemaakt. Zijn familie zou met zijn verjaardag in december komen, zeiden ze. “Als ik er dan nog ben”, voegde hij er aan toe. Dat zijn hart het toch nog zo lang heeft kunnen volhouden, is toch al wonderbaarlijk. Tijdens zijn laatste uren vroeg hij aan de verpleegster om voor te lezen uit Lucas, want Jezus was op komst. Deze vraag heeft hij niet bewust beleefd, maar het tekent wel de sfeer waarin hij als broeder leefde.
Paulus Roeien kwam uit Made, waar hij werd geboren op 20 december 1889 Als jongeman van 17 jaar trad hij in bij de Broeders van Huijbergen op 4 mei 1907. Hij ontving het kloosterkleed op 24 augustus 1907, legde zijn eerste professie af voor de tijd van twee jaar op 4 september 1909. De vaste verbintenis met de Congregatie ging hij aan op 2 september 1911. Tachtig jaar is hij als Broeder Hieronymus lid geweest van onze Congregatie en heel de periode van zijn officieel functioneren vinden we op de staat van dienst de aanduiding van kok. Dat was hij in Breda in het Willibrordusgesticht voor “regeringskinderen”, zoals dat genoemd werd, in Huijbergen, en daar meerdere malen, en in Leur tijdens de bezetting van de oorlogsjaren. Een periode van zes jaar zien we ook bakker vermeld staan in Huijbergen, en een jaar portier op de Kweekschool in Breda. Dat laatste sloot aan op een verblijf van tien jaar in Indonesia, van 1924 tot 1934. En ook daar was hij weer de man van de keuken en de huiselijke werkzaamheden, en wel in Pontianak en Singkawang. Onderscheidingen als kok heeft hij nooit gekregen, behalve dan de naam, die hij nog steeds had van een uitstekend vakman te zijn.
In 1964, toen hij dus bijna 75 jaar was, ging hij rusten, dat wil zeggen dat hij niet meer werkzaam was in de keuken. Dat betekende echter niet dat hij stil ging zitten, verre van daar. Toen begonnen de jaren van de lange wandelingen “naar de Meer” en de activiteiten in de tuin. Daar hield hij een heel stuk grond schoon door paden te harken, doorgeschoten struiken te snoeien, de aangroeiende bladerlaag in de herfst te verwijderen, water te geven aan de planten bij het Mariakapelletje. Als je aan hem vroeg, of hij hard gewerkt had, antwoordde hij, dat hij alleen maar wat bezig was geweest, meer niet. Wie hem echter bezig zag, oordeelde daar anders over: hij stond in het aangenomen leek het wel.
Jaren geleden waren er in zijn familie problemen, die hij mee op ging lossen. Ook toen zorgde hij voor het huishouden en hield het erf op orde. Geleerd was hij niet, maar door veel te lezen ontwikkelde hij zichzelf. Op hoge leeftijd begon hij nog zijn gedachten op papier te zetten over de kerk en het kloosterleven; hij schreef veel in ons Congregatieblad destijds. Hij deed dat in een voorname, aartsvaderlijke stijl en wat hij als zijn mening naar voren bracht was alles behalve ouderwets of wereldvreemd. En als hij van mening was een boodschap to hebben voor kardinaal of bisschop dan schreef hij ze rustig een brief. Nog onlangs gaf hij aan Kardinaal Simonis zijn gevoelens door over het belang van het Mariajaar.
Broeder Hieronymus had een evenwichtig karakter. Hij was een stille rustige man met een kalm, maar gestadig werktempo. Tobben deed hij niet en zijn maaltijden waren steeds op tijd klaar en werden keurig op tijd en warm opgediend zonder daarbij van allerlei moderne hulpmiddelen te kunnen profiteren. De laatste jaren hoorde hij niet zo best meer en dat maakte hem wat eenzaam. Maar als hij aan tafel bij het gesprek betrokken werd, dan gaf hij meestal nog een rake reactie, of een leuke opmerking ten beste.
Graag wilde hij 100 jaar worden, maar als het anders uit zou pakken, dan was dat voor hem ook geen onoverkomelijk probleem. “Het komt wel goed” vond hij dan. Deze relativerende gedachte uitte hij ook, toen hij in zijn laatste dagen op bed terecht kwam. Dat het goed gekomen is, geloven we allemaal die hem gekend hebben. Hij was een oude en wijze, werkzame en voorbeeldige broeder. Maria van het boskapelletje zal. voor hem een voorspraak zijn hij de Heer, die hij zo trouw heeft gediend. Onder Haar bescherming heeft hij altijd zijn toevlucht genomen.
Hij moge rusten bij de Heer van alle leven en Zijn Moeder.
Broeder Karel