252 Br. Anselmus Hendricus Potters
Geboren te Vlissingen : 23-11-1900
Ingetreden : 30-06-1917
Eerste Professie : 22-12-1918
Eeuwige Professie : 24-01-1922
Overleden te Breda : 21-08-1988
Half april werd er met Broeder Anselmus gesproken over zijn lichamelijke toestand en het ging vooral over de vraag of het toch niet beter zou zijn, dat hij voor intensieve verzorging naar Huijbergen zou verhuizen. Hij verzette zich daar tegen, want naar zijn zeggen ging het nog redelijk goed. In Huijbergen zou hij verloren lopen in de grote groep en de ruimte. Zijn wens om te blijven waar hij was, werd ondersteund door de huisarts en zo bleef hij dus in het huis van de Roland Holststraat. Geleidelijkaan ging hij echter achteruit en de huisgenoten en de verpleegster hadden er moeite mee. Hij at niet meer en bleef steeds meer op bed liggen. Geen wonder dan ook, dat dit niet lang kon duren. Op donderdag 28 april kwam vroeg in de ochtend het telefonische bericht dat hij overleden was kort voor middernacht op woensdag 27 april 1988. Een laatste heilige zalving werd hem toegediend. Het afgelopen jaar zijn de laatste broeders overleden, die nog geboren waren in de 19-de eeuw.
De oudste medebroeder van dit moment, Broeder Anselmus, Hendricus Potters, zag het levenslicht precies in 1900. Hij werd geboren in Vlissingen op 23 november, trad in de Congregatie op 30 juni 1917 en deed zijn eeuwige professie op 24 januari 1922. Nu is hij overleden op de leeftijd van 87 jaar in het 70-ste jaar van zijn professie, gerekend van de tijdelijke verbintenis op 22 december 1918. Het is de leeftijd van de sterken, mogen we wel zeggen met de tekst uit de psalm, waar staat dat zij die tachtig worden “krachtig zijn”.
Van Broeder Anselmus kunnen we dat nauwelijks zeggen. Klein van stuk, mager en o zo tenger van postuur, staan we er verwonderd over, dat hij tot deze hoge leeftijd is gekomen. Was hij lichamelijk de laatste jaren al niet zo sterk meer, vooral de laatste tijd kwam daar ook nog de geestelijke teruggang bij. Hij kon niet meer werken en vooral ook begon hij te vergeten, hoe het leven zijn loop had wat tijd en plaats betreft.
Zijn leven lang heeft deze kleine “brekerige” man zijn dagen gevuld met de functie van kok, met huiselijke werkzaamheden en schilderen. Hij deed dat in verschillende van onze huizen: Huijbergen, Bergen op Zoom, Breda, Amsterdam, Haaren en Oosterhout. Het ging in stilte, zonder veel woorden en volgens een vast omlijnd plan, zelf ontworpen. Wat hij geleerd had, was afgekeken van zijn voorgangers. “Hieronymus, die kon koken. Daar heb ik veel van geleerd”, zei hij. Schoonmaken had hij van zichzelf; niemand hoefde hem dat voor te doen, of hem daarin wegwijs te maken. Het zat in hem en vastberaden ging hij in dit opzicht zijn weg. Koken kon hij als de beste en het huis schoonhouden deed hij pijnlijk precies, al te precies voor mensen uit een mannenhuishouden. Beroemd zijn de vele cakes en tulbanden die hij gebakken heeft, want dat kon hij uitstekend. Het nadeel hiervan was, dat hij langzamerhand in een zo vast patroon van werken terecht kwam, dat er te veel van het goede werd klaargemaakt, of liever dat het te dikwijls gebeurde, te vlug achter elkaar. Als kok wilde hij de beste gerechten op tafel brengen en daarom stelde hij hoge eisen aan leveranciers, die zijn bestellingen nogal eens overdreven vonden.
Zelfs bij de beste koks kun je nog wel eens iets vinden, dat niet zo netjes is schoongemaakt. Bij Anselmus was dit vrijwel onmogelijk. Het opwassen, poetsen en boenen zat hem in het bloed, Je kon overal van eten, zelfs van de vloer. Zijn schoonmaak woede bleef niet beperkt tot de grenzen van de keuken en de aangrenzende vertrekken. Van kelder tot zolder ging hij rond om schoon schip te maken, op te ruimen wat weg kon, bij te werken wat niet goed meer in de verf zat. En als het huis eigenlijk een totaalbeurt gekregen had, en er voor vele weken weer tegen kon, dan schroomde hij niet om zijn werkterrein naar buiten te verleggen. Hij ging dan, tot ergernis van medebroeders en verbazing van buren, muren en stoepen, trottoirs en speelplaatsen ontdoen van onkruid tussen de stenen en knoeiwerk op tegels en hekken. Dit soort overdreven werkdrift kon eigenlijk niet, maar het was moeilijk voor hem om een goede raad, of zelfs een verbod om dit niet langer te doen, op te volgen. Werken moest hij, en je kon de zaak er toch niet voor schandaal bij laten liggen. Met enkele woorden bracht hij dan zijn opvatting hierover naar voren en na enige tijd kon hij het niet langer aanzien en begon opnieuw. Alles moest schoon zijn. Met enkele woorden drukte hij zich uit, inderdaad. Veel zei Anselmus niet. Hij kon zich niet zo gemakkelijk uiten. Stil deed hij zijn werk en rustig ging hij zijn gang, zoals hij dat nodig vond. Het gevolg was dan ook, dat zijn ijver en werklust niet altijd overeen kwamen met wat medebroeders en overste nodig en nuttig vonden.
Zijn kookkunst en poetswoede, zijn goede bedoelingen met eierkoeken, verfkwast en onkruidverdelging zullen in de hemel zeker omgezet worden in verdiensten voor de eeuwigheid.
De Heer heeft hem op hoge leeftijd tot zich geroepen en stil als altijd is hij gegaan, niet meer eenzaam en alleen op weg. Heer, goede herder van de kudde, kom zijn zwakheid te hulp, haast U hem te helpen en hem op te nemen in de eeuwige glorie.
Broeder Karel