IM310 Broeder Leopold Adrianus Nicolaas de Goede

310 Broeder Leopold Adrianus Nicolaas de Goede

Geboren te Amsterdam : 29-10-1919
Ingetreden : 15-08-1937
Eerste professie : 19-03-1939
Eeuwige professie : 19-03-1942
Overleden te Breda : 01-03-2003

Wie had bij zijn priesterwijding durven denken, dat broeder Leopold, tachtig jaar oud, zijn diamanten professiefeest en de zilveren mijlpaal in zijn priesterleven zou kunnen vieren. Nu al weer ruim drie jaar verder was Leopold een van de weinige leeftijdgenoten, die zich tot voor kort nog zo fris en toegewijd inzette voor zijn mensen. Zijn gezondheid liet wel eens te wensen over. Gelukkig hebben veel mensen hem daarbij goed geholpen. Van huis uit was hij het niet zo breed gewend. Afhankelijk te moeten zijn van anderen maakten hem kritisch en assertief ten opzichte van onrechtvaardige situaties. Desondanks behield hij zijn toch zijn blije optimistische levensinstelling. Dat stelde hem meer dan gewoon in staat iets voor zijn mensen te betekenen. Toch was hij niet zo zelfverzekerd, dat hij zichzelf zo bekwaam achtte – om het met Paulus woorden te zeggen -, maar hij werkte vanuit een enorm Godsvertrouwen. Dat bracht licht in zijn leven. Daarom ontsteken we de paaskaars, die ons herinnert aan de verrezen Heer. Door de genade van God ben ik wat ik ben .(1Kor 1,10)

Zijn geloof was niet zwevend, hoogdravend of beperkt door dode wetten en regeltjes. Overtuigd dat God alle mensen geschapen heeft, dat Hij er is voor iedereen, en dat God mensen nodig heeft; wilde hij zich in dienst stellen van mensen. Bij zijn jubileum in 1999 koos hij de tekst van 1 Kor.15-1-10: “Door de genade van God ben ik wat ik ben, en zijn genade is voor mij niet vruchteloos geweest.”

Op 25 oktober 1919 werd hij geboren te Amsterdam. Via de contacten van zijn moeder met de Broeders van Huijbergen in zijn geboortestad leerde hij onze congregatie kennen. Hij raakte daar bekend met de sobere Franciscaanse levensstijl en ontdekte hun bijzondere aandacht voor mensen in achterstandsituaties, zoals hij die van thuis uit kende. Ingetreden in 1937 deed hij ruim 63 jaar geleden op 19 maart 1939 zijn eerste professie in de Congregatie. Op heel persoonlijke wijze was hij lid van de congregatie. Dat bracht soms zijn eigen problemen mee, maar hij kreeg de ruimte om nieuwe wegen te gaan. Dat werd uiteindelijk de weg naar het priesterschap. Bij zijn interne arbeid voor de congregatie en zijn werk op de Kweekschool Sint Franciscus in Breda kwam hij nog niet tot volle ontplooiing. Zijn talent kwam tot bloei toen hij een substantiële bijdrage mocht leveren aan de ontwikkeling en leiding van Nazorg Don Bosco die in de volksmond de mattenvlechterij heette. Dat een uit particulier en kerkelijk initiatief ontstane prille sociale werkplaats voor gehandicapte medewerkers.

Dat werd een goede voorbereiding op zijn parochieassistentie in de Sint-Gerardusparochie te Breda. Hij begon hij zijn pastorale inzet bij pater Petronius. Ook met diens opvolgers, de pastoors Jan Corstiaensen en Piet Backx, kon hij – hoezeer ze ook van karakter en levensstijl verschilden – goed overweg. Hun hart lag net als het zijne heel dicht bij de mensen. Opgewekt als hij was lag zijn kracht in een ontwapenende en eenvoudige omgang met iedereen. Hij was pastor in de kerk, maar ook pastor op straat. Met hem konden ze praten. Te midden van de deelnemers naar de Stille Omgang in Amsterdam en de bedevaartgangers naar Kevelaar voelde hij zich thuis.

Zijn kwaliteit lag meer op het praktische, dan op het theoretische vlak. Zo kostte de pastoraal-theologische scholing op Maartenshof hem op zijn leeftijd meer dan gewone inspanning. Ondertussen groeide bij velen de gedachte dat hij priester moest worden. De congregatie bood hem daarvoor de ruimte. Bisschop Ernst wilde hem graag te midden van zijn priesters opnemen. De feestelijke priesterwijding in Gerarduskerk te Breda op 15 december 1974 bevestigde zijn pastorale roeping. Hij werd daar meteen pastoor tot 1986. Daar leefden de mensen waarin hij zijn afkomst herkende en waar hij graag verbleef. Gelukkig heeft hij altijd een aantal toegewijde vrijwilligers gehad, die hem met raad en daad terzijde stonden.

Door de verdergaande ontvolking van de binnenstad kwam er samenwerking met de andere parochies. Dat ging allemaal langzaam en moeizaam. Het tot intense vriendschap uitgegroeide contact met pastoor Jos Videler van de Sint-Antoniusparochie was zeer vruchtbaar. Uiteindelijk werden de beide parochies samengevoegd. Dat alles heeft met de sluiting van de Geraduskerk heeft hem heel wat moeite gekost. De pijnlijke operatie werd aanzienlijk verzacht, omdat men in het Zorg- en Behandelcentrum Elisabeth pastoraal onderdak kreeg voor zijn trouwe parochianen. Mede geïnspireerd door de H. Elisabeth, patrones voor de zorgverleners, kreeg hij ook met de mensen in Elisabeth een sterke band. Want daar kwam hij steeds vaker in het vizier. Hij verving er de toenmalige rectoren. Pastoraal werker Han Schepers maakte graag gebruik van zijn diensten in de liturgie en voor het bezoeken van mensen.

Zo bleef hij ook tijdens zijn emeritaat als priester-vrijwilliger solidair met zijn mensen. Omdat de congregatie hem dicht bij zijn mensen liet wonen, bleef hij op afroep beschikbaar voor pastorale contacten, voor liturgische diensten en andere assistenties. De Eucharistieviering in de Sint-Joostkapel in Breda was hem en de regelmatige bezoekers zeer dierbaar. Zijn muzikale kwaliteiten lagen op hoog niveau. Hij zette die in voor zijn pastorale zorg en die van anderen. Als dirigent en organist luisterde hij liturgische vieringen dikwijls op. Ook in andere parochies werd hij graag gevraagd als organist om de zang te ondersteunen. Minder bekend, maar wel reëel is, dat ook hij als religieus uitermate geschikt was om voor te gaan bij de Catechisten en de zusters van Mariadal in Breda en Zundert. Het pastoraal werk van zijn priesterbroer Nico bracht hem bij de Norbertinessen in Oosterhout. Onder zijn vakanties heeft hij in Zweden bij de zusters Birgitinessen de herinnering aan zijn broer levend gehouden.

Mensen die om hem gaven, vroegen zich af: “Hoe kan hij het allemaal nog opbrengen?”. Maar tot het laatst toe ging niets van dat jonge heilig vuur verloren. Niets hield hem tegen, om het wat kalmer aan te doen. Hij liep er niet mee te koop. Eerder het tegendeel. Soms twijfelde hij wel eens aan zich zelf. Ik ben dankbaar, dat ik met de vele vrijwilligers een van zijn tochtgenoten heb mogen zijn. Wie inspireert zonder op de voorgrond te komen, verdient daarvoor alle respect en dank. Nooit werd tevergeefs een beroep op hem gedaan. Voor wat hij gaf, kreeg hij veel terug. Vele vrijwilligers werden zijn vrienden. Grote erkentelijkheid verdient mevrouw Jeanne Havermans. Veel vriendschap en steun ondervonden ze van elkaar.

Waar hij nooit aan twijfelde, staat goed verwoord in beide lezingen. Vanuit zijn Godsvertrouwen wist hij heel goed, dat bekwaamheid van God komt. De Geest raakte niet uitgeblust. Op zijn laatste feest bad hij: “De diepste drijfveer van onze voorganger Jezus Christus is, mensen bij elkaar brengen.”. Zo wilde hij bouwen aan nieuwe wereld. Johannes spreekt in verheven, maar overduidelijke woorden over liefde van God. Maar hij wilde altijd met mensen samen “op tocht gaan, om vruchten voort te brengen die blijvend zijn”. Hij koos voor Jezus woord: “Jullie moeten je niet laten verontrusten. Jullie geloven in God; geloof ook in mij ! …”
Maar wat zou zijn leven zijn als hij niet kon zijn, wie hij van huis uit was.: Leopold de Goede. Dank aan God voor deze mens! “Vrede en alle goeds” voor u allen!