IM328 Br. Domitus Johannes de Moor

328 Br. Domitus Johannes de Moor

Geboren te Banda Aceh (Ind): 26-03-1922
Ingetreden : 19-01-1941
Eerste Professie : 15-08-1942
Eeuwige Professie : 15-08-1945
Overleden te Huijbergen : 04-11-2006

Johannes de Moor, Br. Domitius, werd geboren in Nederlands Indië op het eiland Sumatra in Kota Radja uit het huwelijk van Josephus de Moor en Catharina Keizer als 4de van de 14 kinderen . Dat hele gezin de Moor kwam naar Nederland in 1934. En dan zo een zeven jaar later deed Jan zijn intrede bij de Broeders van Huijbergen 19 januari 1941. Bij zijn inkleding 14 augustus 1941 ging hij luisteren naar de naam Br. Domitius. Diplomas en aktes waren en werden behaald – op onderwijskundig en pedagogisch gebied en verrijkt met die bagage stapte hij het onderwijs in aan schollen in Breda. Na bijna een zes tal jaren daar, was er zijn benoeming om het missie werk van de Huijbergse Broeders in Indonesië mede te gaan ondersteunen.
Hij was er onderwijzer, leraar, hoofd van de school, overste, waarnemend novicemeester, regionaal overste van 1969 tot 1987. Na bijna 46 tropen jaren repatriëring naar Nederland: 15 juli 11987 Wonen ging Br. Domitius bij zijn medebroeders hier in Huijbergen. Al vlug werd hij door zijn dorpsgenoten getypeerd als de broeder die zo pittig wandelde, die zo stevig en fors doorstapte. Daarnaast bleef en was Br. Domitius een bezige bij: hij behartigde vele jaren de missiebelangen, maakte nier onverdienstelijk prachtige fotos van de natuur, heeft ontzettend veel vertaalwerk verricht van Nederlands naar Indonesisch en omgekeerd.

In de parochie van Putte was hij de graag geziene en waardevolle pastorale assistent van Zuster Will. Vele jaren was hij lid van het Hoofdbestuur en lid van de Huisraad. Over de laatste jaren van Br. Domitius schreef Br. Reginald: “Bij het ouder worden , moest hij langzaam maar zeker veel van zijn energie inleveren. Br. Domitius was zich daarvan bewust. Hij verloochende zijn menselijkheid niet en worstelde er mee. De strijd bracht hem tot overgave.”

Als “missionaris” koos Domitius voor de weg van Jezus, wilde hij Gods mensen liefde handen en voeten geven, een warm kloppend hart; een liefde die dan wel allen omvat, maar die zich bijzonder sterk maakt voor mensen klein en groot aan de rand van de samenleving. Dat betekent: hun woordvoerder worden als zij geen stem hebben, vechten voor hun belangen, voor hen opkomen door dik en door dun. Zo iemand is uw broer en oom, uw medebroeder geworden. Om dat te illustreren citeer ik uit het mooie in memoriam dat Br. Bram schreef: nl. “Zijn oprechte en hartelijke aandacht voor de persoonlijke belangen van zijn medebroeders en familieleden heeft bij velen een diepe indruk gemaakt. Hij had hart voor hen die zwak of hulpbehoevend waren. De inzet van de broeders voor de zwakkeren in de samenleving was hem dan ook bijzonder dierbaar.” En … Br. Reginald spreekt in zijn in memoriam … over het sterke gemeenschapsgevoel van Br. Domitius, … over zijn verantwoordelijkheidsgevoel voor elkaar, … over zijn aangeboren tact om met anderen in gesprek te komen daarbij kon hij luisteren en zich bescheiden opstellen, over zijn voorbeeldig plichtsbesef ook.

En we zeggen: broer Jan, oom Jan, Br. Domitius , dank en nog eens dank, het deed ons goed
om met jou ondereg te mogen zijn. á Dieu, tot ziens bij God.

Levensloop verteld in dankbaarheid voor de Congregatie CFH.
Beste medebroeders,
Schuchter uitgenodigd om evenals de andere medebroeders van de werkgroep gebed iets te vertellen over mijn roeping tot en over mijn later leven als lid van de Congregatie van de broeders van Huijbergen, ben ik na een aanvankelijke weigering, toch maar gaan zitten om wat ervaringen en herinneringen op papier te zetten als een getuigenis ten opzichte van de Congregatie, die binnenkort haar 150 jarig bestaan gaat vieren. Om te beginnen moet ik vertellen dat ik eigenlijk verdwaald ben of liever gezegd dat ik aan een niet verwachte deur ben gaan kloppen toen ik dacht dat ik geroepen was om broeder te worden. Ik ben immers geboren en getogen in Indië en heb de lagere school tot de zesde klas bij de broeders van Aloysius oftewel van Oudenbos op het Koningsplein te Batavia doorlopen. De familie de Moor is daarna voorgoed naar Nederland verhuisd en ik kwam toen als leerling van de zevende klas van de Sint Jozefschool van het Fort te Bergen op Zoom bij Br Alredus in de leer.
Ik heb altijd een grote bewondering voor die man gevoeld omdat hij o.m. zo prachtig kon voorlezen uit boeken en novellen De door hem gekozen stof om voor te lezen, heeft me ontzettend blij bij het leven gehouden en meermalen ook diep geroerd zoals b.v. door de verhalen uit het boek “Meesters rode rozen “.
Als de dag van gisteren weet ik nog dat ik op een namiddag bij thuiskomst uit school zonder enige inleiding tegen mijn ouders die op dat moment beiden in de kamer waren, zei: “Ik wil broeder van Huijbergen worden. ” Mijn vader reageerde het eerst door te zeggen: “Schei toch uit, de een naar de Capucijnen van Langeweg, de ander naar Huijbergen en weer een ander nog naar elders zeker, neen zet dat maar uit je hoofd. ” Acuut daar boven op zei mijn moeder rustig: “Maar Sjef als die jongen dat nu wil ! ” Het verzet was meteen gebroken en ik mocht naar Huijbergen, niet alleen met de zegen van mijn ouders maar ook van de toenmalige Algemene Overste Br Silvester.

Ik weet het nog goed omdat ik bij het gesprek daarover dat mijn vader met Br. Silvester had, aanwezig was. Het was me ook opgevallen dat de vaderlijke figuur van Br Silvester zo hartelijk en vaderlijk amicaal was, wat vermoedelijk ook was te danken aan het feit dat èn mijn vader èn Br. Silvester beiden uit nabij gelegen dorpen in Zeeuws Vlaanderen afkomstig waren. Verder heb ik het sterke vermoeden dat mijn Indische achtergrond ook enigszins de oorzaak geweest is of kan zijn, van een enigszins voorkeursbehandeling, die ik genoten heb tijdens de jaren van mijn opleiding en vorming. Ik kan daar niet trots op zijn, maar ik moet er wel dankbaar voor zijn want eerlijk gezegd heb ik meer dan eens, wat mijn roeping betreft minder sterk in mijn schoenen gestaan.

Jarenlang heb ik bezorgd en wat bevreesd getobd met het idee dat ik later als broeder onderwijzer voor de klas zou gaan staan in de wetenschap dat mijn vader geen hoge pet op had van het broeder-zijn dat hij wel eens classificeerde als vis noch vlees zijnde. Toen ik op de kweekschool was, heb ik geworsteld met de gedachte dat ik toch maar beter mijn broer Frans bij de Capucijnen kon proberen te volgen, al stond het predikambt me ook niet zo aan. Op een recollectiedag heb ik toen Pater Cajetanus om raad gevraagd. Tijdens het gesprek dacht hij mij vermoedelijk te bemoedigen met te zeggen: “Och Capucijn worden is moeilijk, maar Capucijn zijn valt best mee. “Voor mij was die bewering een koude douche en was de kous af en alle twijfel verdwenen als sneeuw voor de zon.

In de nacht voor het uitspreken van de professiewoorden voor eeuwig, voelde ik me staan voor een diep en donker ravijn waaruit geen weg terug was te vinden, Dat ik me nadien op minder goede dagen en ook bij ontmoetingen met knappe jonge dames tot hen voelde aangetrokken, heeft nooit geleid tot meer dan normale en mogelijk wel gezonde bekoringen omdat eerlijke en oprechte gesprekken in de biechtstoel kracht en sterkte verleenden en me bemoedigden verder op de ingeslagen weg te gaan . De routine in de dagorde met de nodige gebedsoefeningen en mogelijkheden tot bidden is bovendien een grote bron van onmisbare genade. In een relaas als dit mag de uitwerking van gegeven voorbeeld niet vergeten worden. Het voorbeeldig plichtsbesef van de meeste broeders in het doen van de opgedragen dagtaak bleven niet zonder uitwerking op mij. Het eenvoudigste zoals ook de als belangrijke beschouwde taken werden voorbeeldig vervuld. Leven en werken in zo een gezelschap zijn een grote hulp en stevige aanmoediging je plicht ook met zorg te doen en je leven als liefdevolle broeder in te richten en te verzorgen. Daarnaast was de aangename, broederlijke sfeer in de huizen waarin ik heb geleefd en gewerkt in Breda als op de plaatsen waar ik in Indonesië heb mogen werken te kostbaar en waardevol. Als je je dan ook nog weet gedragen in je werk dat praktisch door ieder waar je mee te maken had, duidelijk gewaardeerd werd, is het leven als celibatair kloosterbroeder een grote genade en zeker best uit te houden.

Verder is het ook de moeite waard te vermelden dat iedere bonafide gemeenschap haar leden steun biedt het rechte pad te blijven bewandelen door het uitoefenen van sociale controle. Ook is het eerlijk toe te geven dat het dragen van het kloosterkleed ons toch ook enigszins geholpen heeft ons te gedragen als een goed mens, al wil ik graag toegeven blij te zijn dat wij die toog niet meer hoeven te dragen. Al bij al, reden te over blij te zijn met onze roeping tot lid van onze Congregatie. Terug kijkend op het voorbij gegleden leven, dat niet meer zo lang duren zal, kan en mag ik alleen maar diep dankbaar zijn voor de Congregatie die middels de vele goede medebroeders, die naast en samen in gemeenschap mij hebben. aanvaard.

Laat me eindigen met verwijzing naar een Duits spreekwoord dat vrij vertaald, luidt: “Die je bemint, heeft de voorkeur het mikpunt van je plagerijen te worden “, en in ons dagelijks omgaan met elkaar vertellen wij graag grappen met bepaalde broeders in de hoofdrol en voeren we leuke situaties op om te kunnen lachen en plezier te maken,.” maar nu die goede medebroeders dood en begraven zijn, beseffen wij tevens grote dank aan hen verschuldigd te zijn. Daarom wilde ik hen bij wijze van een soort van eerherstel insluiten in mijn oprechte grote dank aan jullie allen voor alles in mijn leven als broeder.
Br. Domitius de Moor.
Sinte Marie, 23 juli 2004.