
Geboren te Atalojo 14-09-1958
Ingetreden 08-12-1987
Eeuwige professie 15-08-1997
Overleden te Lewoleba 13-08-2013
Begraven te Pontianak 14-08-2013
Broeder Markus was bijna 30 jaar toen hij, menselijker wijze gezien toevallig, in contact kwam met broeder Leo Jansen op een kantoor in Jakarta. Hij had zich opgewerkt naar een goede positie in de wegenbouw, beschikte over een eigen huis in een elitewijk in Jakarta en had een goed salaris. Toch was dit niet wat hem werkelijk voldoening kon geven. Hij betaalde de studie van enkele door hem aangenomen meisjes maar zocht naar wegen om meer te kunnen betekenen voor anderen.
Na de gebruikelijke opleiding in Pati en Jogyakarta kreeg hij de verantwoordelijkheid voor het jongensinternaat te Singkawang. Het was geen gemakkelijke taak. De meeste jongens waren afkomstig uit de dorpen in het binnenland van West Kalimantan en volgden diverse richtingen en niveaus van hoger middelbaar onderwijs. Sommigen hadden voor de middag les op school en anderen in de namiddag. Om de leerprestaties van de leerlingen te kunnen volgen onderhield hij contacten met een tiental scholen in de stad, wist hen te vinden achter speelautomaten en kon aan hun kleding ruiken dat ze een sigaret gerookt hadden. Hij stelde hoge eisen aan discipline en als zijn woorden daartoe te kort schoten schuwde hij geen harde hand. Het zweepje van de staart van een pijlstaartrog boezemde zowel afkeer als schrik in. Het was zijn manier, waarop hij de ontplooiing van deze jongens ter harte nam. Maar de precisie die hij van de jongens vroeg bij de typelessen die toen nog werden gegeven, is velen later bij het gebruik van computers ten goede gekomen. Op zijn manier was hij zorgzaam en wist hij zich verantwoordelijk voor het welzijn van de jongens . Dit gevoel voor verantwoordelijkheid maakte hem stil en gespannen toen de omgeving van Singkawang getroffen werd door een gewapend conflict tussen de Daya bevolking en de Madurezen
.
Leergierig bewonderde hij het vakmanschap van de Chinese houtbewerkers in Singkawang, en probeerde die ook zelf in zijn werk te Putussibau en Pontianak in praktijk te brengen. Dat achter zijn enigszins nors voorkomen een gevoelig hart schuil ging bleek o.a. uit zijn muzikale talenten die hij als dirigent verdienstelijk wist te ontwikkelen. Toch was het voor de jongens die hem waren toevertrouwd en voor zijn medebroeders niet eenvoudig te ontdekken wie hij werkelijk was achter de weinige woorden die hij gebruikte om zijn mening te kennen te geven. Op zijn best was hij als hij een medebroeder of een bekende ging imiteren. De voorpret alleen al die hij dan uitstraalde maakte het tot een genot hem te zien en te horen.
Hij hield van jagen en vissen in de vrije natuur, en tijdens zijn verblijf in Putussibau oefende hij bij de jongens de karatebewegingen in met korte kommando’s en de tikken van zijn stok. Maar hij die zo van controle hield moest de grenzen van zijn kunnen voortijdig aan den lijve ervaren. Het duurde lang, te lang waarschijnlijk, eer hij de ontwikkelingen in zijn lichaam kon erkennen en zijn toestemming gaf voor de noodzakelijke medische ingrepen.
De Heer van alle leven die hem riep om onze medebroeder te worden gaf ons een integere krachtige jonge man, die zijn talenten oprecht ten dienste van anderen wilde ontwikkelen en gebruiken. Terugkijkend voelt het alsof we onvoldoende in staat waren hem nabij te zijn op zwakke en eenzame momenten, maar dankbaar voor al het goede dat hij als medebroeder heeft mogen betekenen voor velen, vertrouwen hem toe aan onze liefdevolle God die beter weet dan wie ook wat er in een mens kan omgaan. We vragen Hem onze broeder Markus Boli een grenzeloze rust te geven waarin hij zich zonder verweer mag overgeven aan Zijn onvoorstelbare liefde.
br. bram