Gerardus Adrianus Smeenk werd geboren op 17 -09-1928 in het gezin van Johannes Smeenk en moeder Cornelia Catharina van de Boomen, een zus van onze eveneens markante medebroeder Vincentius.
Nog dezelfde dag van zijn geboorte wordt hij gedoopt in de St. Martinuskerk van Princenhage en tien jaar later gevormd in de St. Anna kerk te Breda 20-05-1938. Weer tien jaar later treedt hij in bij de broeders van Huijbergen en ontvangt hij zijn toog op 14 -08-1948 in het noviciaat Lievensberg te Bergen op Zoom, eerste prof in 1949 en eeuwige geloften 1952.
1949 Halsteren (Huislijke werkzaamheden)
1950 Huijbergen Alverno (Assistent Ziekenbroeder)
1951 Huijbergen St. Marie (Groepsleider en werkzaamheden)
1957 Breda Willibrordushuis (Groepsleider 2e zaal)
1959 Ossendrecht (Groepsleider, avondstudie en werkzaamheden)
2001 Huijbergen (Koster)
Zijn eerste periode in Halsteren was niet de gemakkelijkste, tijdens het tonen van enkele kleine fotootjes (5X5) liet hij weten dat hij daar heeft overwogen te stoppen als hij er nog langer had moeten blijven. Naar zijn gevoel had de toenmalige overste geen vertrouwen in hem, niet in hem noch in zijn contacten met de jongens, en dat griefde hem diep.
Met genoegen anticiperend op de verwondering van zijn toehoorder, maar toch bijna tussen neus en lippen door, liet hij weten dat hij na Halsteren ziekenbroeder geweest was bij de pensionairen op Alverno. Toen ik het niet na kon laten daarbij naar zijn grote handen te kijken was zijn reactie: “Ja, toen kon dat allemaal nog”.
Hij verhuist in 1951 naar het nieuwe naoorlogse Sint Marie waar hij zich inzet als groepsleider en zoals toen gebruikelijk, tevens tal van huiselijke werkzaamheden op zich neemt. Veel van de verhalen over die periode hebben te maken met zijn uitzonderlijke lichamelijke kracht. Hij genoot oprecht van de kracht die hem gegeven was en zeker ook van de bewondering die hij kon oogsten met wat hijzelf als gewoon beschouwde. Gewoon, want van kinds af aan was hij sterk geweest. Hij overleefde een zware infectie aan zijn been en onderstreept de ernst van de zaak met te vermelden dat bij een latere ontmoeting de behandelende specialist zijn verbazing uitsprak hem nog in levende lijve te zien. Laconiek vertelt hij dan meteen het verhaal van een ongeluk dat hem het licht in een oog kost. Sterk zijn was voor hem gewoon, en als zijn krachten afnemen blijft hij gaan tot de grenzen van zijn kunnen, maar eerlijk als hij was voor anderen zo was hij ook eerlijk naar zichzelf en kon hij gelijkmoedig erkennen dat het niet meer ging.
Die grote handen hebben ook een rol gespeeld tijdens zijn volgende taak in het Willibrordushuis van de Bisschoppelijke Kinderbescherming te Breda waar hij als groepsleider de zorg kreeg over de oudere basisschool leerlingen. Als woorden daar te kort schoten was het voor hem genoeg zijn handen te laten zien, om orde op zaken te stellen.
Zijn mooiste periode was zijn tijd op de Volksabdij waar hij zich van 1959 tot 2001 met zijn gouden hart, zijn krachtig lijf, kortom met alles wat hij had en alles wat hij was heeft ingezet. Oud leerlingen denken met dierbare herinneringen aan hem terug als broeder Bas. Hij voelt zich niet te groot om samen met zijn leerlingen een vak te leren, en vooral in de avonduren behaalt hij zijn diploma machine bankwerker.
Als hij luisterde kon er een rust van hem uitgaan en daarmee heeft hij voor menigeen veel kunnen betekenen. Niet door zijn raadgevingen maar dank zij zijn luisteren deelde niemand tevergeefs zijn moeilijkheden met hem. Ook al moest hij zeggen: “Ja, Ik weet ’t ook niet”, toch verlichtte hij daarmee andermans lasten.
Zijn gezag hing samen met zijn persoon, de man die hij was, integer en dienstbaar, in staat om met aandacht te luisteren, en met zijn humor moeilijkheden kon relativeren en voorkomen. Met een natuurlijk gezag zette hij zich in voor de jongens, of het nu was om toezicht te houden in de douche afdeling en bij de zwemvijver; of in het bespelen van de grote trom in de drumband “De Valkenjagers”, of bij het begeleiden van hun tochten naar België als verzorger; het lopen van de oefentochten en de vierdaagse in Nijmegen van de Wandelclub “De Kievieten”, of bij de dansavonden met alles wat daar bij kwam kijken, of in het onderhoud van bossen en sportvelden met zijn “groene viervoeter”. Onvoorstelbaar!
Heden ten dage, met onze nauw omschreven taakverdelingen, arbeidsvoorwaarden en looneisen zal geen manager het nog in zijn hoofd halen bij zijn planning te denken
aan iemand als broeder Bas. Maar hoe mooi is het iemand te zien, iemand te mogen kennen die energie krijgt door zich in te zetten voor een ander. Voor hem waren de jongens geen cliënten en wat hij bood was geen product dat een meetbaar resultaat op zou moeten leveren. Nee, zijn jongens waren jonge mensen met hun eigen persoonlijkheid op weg naar hun eigen toekomst en wat hij hen bood was zichzelf; hij was er voor hen dag en nacht. Nee met zulke mensen weet de arbeidsmarkt nu geen raad meer.
Terug in Huijbergen heeft hij zich als koster met toewijding ingezet voor de communiteit. De kapel was voor hem meer dan een werkterrein. We mochten hem leren kennen als een tevreden mens met een diep geloof en een grote behoefte aan gemeenschap, maar daarbij bleef hij in zijn manier van denken en doen toch geheel zichzelf.
De laatste weken in het ziekenhuis werd ook voor hemzelf duidelijk dat zijn lichaam op was. Hij was er klaar voor en in de nacht van vrijdag op zaterdag 18 april ging hij zijn eigen weg en werd hij voor ons onbereikbaar. Dankbaar hebben we met zijn familie en bekenden afscheid genomen, dankbaar aan de Heer van alle leven die Gerardus Adrianus Smeenk geroepen heeft om de broeder Paschalis te worden die wij hebben mogen leren kennen.
bram