Geboren te Alphen . . . . . . . . 1933-04-26
Ingetreden . . . . . . . . . . . . . . 1950-01-17
Eerste professie. . . . . . . . . 1951-08-15
Eeuwige professie . . . . . . . . 1954-08-15
Overleden te Huijbergen . . . . 2015-10-30
Begraven op het kloosterkerkhof . 2015-04-11
Het was 26 april 1933 dat Leo als jongste geboren werd in het gezin van bakker Karel Jansen en moeder Elisabeth Theresia Remeijsen in Alphen. Hij groeide op in een warm sociaal voelend gezin waar onder de oorlog serieus rekening gehouden werd met hen die het moeilijk hadden. De geur van vers gebakken brood in de bakkerij kan zijn liefde voor een goede maaltijd zeker gunstig hebben beïnvloed.
Het is in het Sint Jozefhuis in Halsteren, waar na de oorlog een groep jongens van het Pensionaat Sint Marie was onder gebracht, dat hij kennis maakt met de broeders van Huijbergen. De indringende vraag van broeder Gummarus van Gils “Zou broeder worden niet iets voor jou zijn?” brengt hem op een idee en in 1950 meldt hij zich aan als kandidaat broeder. Ook de goedheid van de strenge maar rechtvaardige novicenmeester Ignatius Ooninckx maakt indruk op hem. Meerdere malen vertelde hij het verhaal van hoe na een overtreding als novice zijn wekelijks rantsoen shag door Ignatius werd ingehouden, maar op de dag dat hij klaar stond het noviciaat in Lievensberg te verlaten en naar Huijbergen te vertrekken drukte Ignatius met ’n “Die hedde nog tegoed van me”, twee pakjes shag in Leo z’n handen. Leo kon door het strenge en het ietwat norse voorkomen van broeder Ignatius heen kijken en trakteerde hem later, in zijn verstilde jaren te Bergen op Zoom, regelmatig op een goede sigaar.

Ook had hij door de buitenkant heen gekeken van die jongen in de Volksabdij die het behoorlijk had begaaid. Na een bezoek van zijn ouders kwam hij naar zijn groepsleider Leo en vroeg verbaasd waarom deze hen niets had verteld. Waarop Leo antwoordde dat hij dat niet echt nodig had gevonden en daarmee ongewild het vertrouwen won van deze puber en zijn vrienden.

Wie Leo waardeerde kon ook door zijn buitenkant heen kijken. Hij kon dominant aanwezig zijn, maar steeds oprecht met een groot en warm hart. In Nyarumkop, een scholencomplex met internaten in het Bisdom Pontianak aan de Westkust van Kalimantan, waar hij in de jaren 1968 en 1969 werkzaam was als groepsleider, hadden de jongens moeite met de naam Balthasar, en verbasterden die typerend genoeg tot broeder “Bulldozer”. In het toen nog vrij gesloten en traditionele internaat van Nyarumkop kon hij zijn draai niet echt vinden, maar de drumband waar hij mee begon erkent hem nog steeds als oprichter. En zijn oud-leerlingen waaronder de aartsbisschop van Pontianak Mgr. Agustinus Agus denken met waardering terug aan de vrijheid en het vertrouwen dat hij hen gaf.

In Pati werd zijn naam “Leo” = Leeuw wel in het Javaans vertaald door “Singo” en geassocieerd met de naam van een bekende militaire jurist en nationale held uit de begin periode van de Indonesische staat. nl. Raden Kasman “Singodimejo”, wat vrij vertaald zou kunnen worden als “De leeuw aan tafel”, in het midden latend wat voor tafel voor Leo het meest van toepassing zou kunnen zijn. Hij genoot van die associatie en stelde zich soms ook zo voor. Achter zijn on-Javaanse verschijning en wijze van doen konden ongeschoolde becak-rijders maar ook hogere ambtenaren de oprechtheid van zijn inzet voor de zwakkeren in de samenleving lezen en waarderen.
Zijn gezondheid, die van kinds af aan niet sterk geweest was en hem vroeger de bijnaam “Den Bot” had bezorgd, liet hem ook in Nyarumkop in de steek. Na enkele maanden herstel in Nederland keert hij terug naar Indonesië, maar nu naar Pati waar hij van de toenmalige regionale overste broeder Domitius de Moor, die tevens een goede vriend van hem was, het vertrouwen en de ruimte kreeg om zich te ontwikkelen.
Bijna dertig jaar lang zal hij zich inzetten voor de buitenschoolse vorming van de jeugd in Pati en omgeving, voor het rehabilitatie centrum van genezen lepra patiënten, voor de eerste vorming van onze kandidaat broeders, en voor jeugdleidersopleiding die binnen de Katholieke kerk nationale bekendheid verwierf.
In de loop van die dertig jaar realiseert hij een heel scala van activiteiten. Het begon met dans-, en kooklessen in het oude broederhuis, maar later volgen een drumband met majorettes, typen en lassen, naaien en borduren zowel in het vormingscentrum Alverna als ook in het broederhuis aan de Jl. Diponegoro en in twee nabijgelegen trainingscentra (BLK 1 en 2). Als hij begin negentigerjaren terug komt van verlof in Nederland laat hij het bestuur van de congregatie in Indonesië weten “Ik ga computers kopen”. Hij had zijn besluit genomen, overleg was voor hem niet meer nodig en wie dat nog wel nodig vond zag dat zijn pogingen hem daarvan te overtuigen tevergeefs waren. En binnen korte tijd draait er een succesvolle computercursus en een Engels talenlaboratorium.


Leo hield niet van half werk met de drumband behaalde hij regionale prijzen tot op het niveau van de provincie “Midden Java”, en met het vormingscentrum Alverna behaalt hij een nationale prijs en ontvangt de oorkonde uit de handen van de toenmalige president Suharto.
Belangrijke doelgroepen voor deze praktische vorming waren schoolverlaters (dropouts), werkelozen en kinderen van exgedetineerde ouders die, verdacht van communistische sympathieën, toen moeilijk aan werk konden komen. Voor deze laatsten werd in samenwerking met het bisdom Semarang gebruik gemaakt van een speciaal fonds voor studiebeurzen.
Leo had wel geld nodig, allereerst voor de hierboven genoemde activiteiten maar ook voor zichzelf was hij zeker niet karig. Deze gelden waren niet alleen afkomstig uit giften van familie, vrienden, de congregatie en sponsor organisaties. Leo was creatief genoeg om zijn netwerk te laten functioneren. Een textiel fabrikant uit Muntilan stelde gratis stoffen beschikbaar die vervolgens door medewerkers en vrijwilligers in de tuin van het broederhuis per kilo werden verkocht. We vergeleken hem dan wel eens met Franciscus van Assisi en wezen hem op het verschil, nl. dat Franciscus voor zijn bekering geld verdiende met de verkoop van stoffen maar Leo na zijn bekering! Waar hij dan gul en smakelijk mee kon lachen.
Door de goede samenwerking met de Zrs. Franciscanessen van Dongen in Pati was het mogelijk om, in een tijd dat genezen verklaarde Lepra-patiënten nog op speciale witgeschilderde metalen vouwstoelen in de kerk zaten, deze weerloze lijdende mensen een gevoel van erkenning en eigenwaarde te geven. In de gebouwen van de zusters komt de kliniek Salus Populi en enkele kilometers buiten het stadje Pati wordt een revalidatie centrum ontwikkeld, waar een tien tot twintig genezen melaatsen deels in hun onderhoud kunnen voorzien met een sawah, groentetuinen, kippenteelt en een Greenhouse voor sierplanten. De kliniek van dit revalidatiecentrum geniet, dank zij de zusters, nog steeds een goede reputatie bij Islamieten en Kristenen.
Meer dan twintig jaar lang (1980-2000) zal Leo een belangrijke bijdrage leveren aan de eerste vorming van jonge mannen die na hun middelbare schoolopleiding er voor kozen om broeder te worden. Leo zelf had een, ik zou willen zeggen, geaarde spiritualiteit. Voor hem kwam eerst de vorming als mens, dan als christen daarna pas als broeder. Iedereen die hem als kandidaat in Pati heeft meegemaakt zal daar van kunnen getuigen. Zijn vroomheid lag dicht bij de ervaring waardoor de recollecties voor MAVO-leerlingen (SMP) die hij samen met enkele medebroeders verzorgde diepe indruk konden maken op Kristenen en Islamieten. Deze vroomheid gaf hem ook richting en energie. Toen in de
zeventiger jaren, een moeilijke periode voor de broeder-gemeenschap in Indonesië waarin serieuze vragen rezen omtrent de toekomst, Leo het Evangelie van de vermoeide apostelen hoorde die een nacht lang tevergeefs gevist hadden maar dan, dicht bij de kust gekomen van Jezus te horen krijgen “Gooi je netten uit”, en dan hun twijfel overwinnen en een wonderlijke vangst binnenhalen, dan laat hij die woorden bij zich binnen komen en zegt enkele dagen later als ik hem ontmoet: “We moeten doorgaan met werven en opleiden van kandidaten”. En ook de overwinning van die twijfel is niet tevergeefs geweest.
Al deze activiteiten, waarbij zijn inzet voor de Stichting van het Kerkhof van de parochie en zijn betrokkenheid bij het schoolbestuur van de Katholieke HAVO nog onvermeld zijn gebleven, waren niet mogelijk geweest zonder de inzet van tientallen medewerkers en de steun van familie en medebroeders. Wie tegen hem was had een zware tegenstander, maar zijn vertrouwen in anderen maakte het mogelijk dat mensen toegewijd met hem meewerkten en konden genieten van zijn humor en hartelijkheid. Ook terug in Nederland bleef hij begaan met het welzijn van anderen, m.n. de leprapatiënten in Indonesia waarvoor hij zich met de stichting H.O.S. nog vele jaren bleef inzetten.Maar Leo zette zich niet alleen in voor anderen hij had hen ook nodig. De warmte van zijn familie, met name denk ik daarbij aan het gezin van broer Lex en Jo, het gezin broer Piet en Riet, en zijn zus Julia, en de waardering van vele vrienden waren erg belangrijk voor hem, en eerlijk liet hij zijn behoefte daaraan ook blijken.
Zoals hij zelf dankbaar terug keek op de betekenis van zijn leven als broeder, zo kijken ook wij samen met vele anderen, dankbaar terug op het leven van een creatieve en energieke medebroeder. Vandaag komen ook in Pati zijn vrienden en bekenden bij elkaar om hem biddend te gedenken.
Dankbaar geven we hem terug aan de Heer van alle leven die ons steeds laat delen in de rijkdom van Zijn schepping, m.n. in de talenten en de persoonlijkheid van Leo. Dat hij nu voor altijd rust mag vinden in de grenzeloze liefde van zijn schepper.
2014-11-04
